BWBR0013796
Geldig vanaf 01-04-2020
Artikel 22
Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
1. Dadelijk na de ontvangst van de in artikel 21 bedoelde vordering bepaalt de voorzitter van de rechtbank, zo veel mogelijk bij voorrang, het tijdstip waarop de opgeëiste persoon door de rechtbank zal worden gehoord. Hij kan daarbij diens medebrenging bevelen.
2. De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling en, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel worden aan de opgeëiste persoon betekend.
3. Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman.
2. De griffier van de rechtbank doet onverwijld aan de officier van justitie en aan de opgeëiste persoon mededeling van het voor het verhoor bepaalde tijdstip. Die mededeling en, zo een bevel tot medebrenging is gegeven, een afschrift van dat bevel worden aan de opgeëiste persoon betekend.
3. Indien niet blijkt dat de opgeëiste persoon reeds een raadsman heeft, geeft de voorzitter aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman.
- Citeren als
- Art. 22
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013796
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl