BWBR0013796
Geldig vanaf 01-07-2002
Artikel 36
Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
1. De persoon wiens voorlopige aanhouding of overlevering vanwege het Strafhof is verzocht, wordt voorafgaand aan ieder verhoor gewezen op de mogelijkheid te verklaren dat hij instemt met onmiddellijke overlevering.
2. Tot de aanvang van de zitting kan hij een verklaring als bedoeld in het eerste lid afleggen ten overstaan van de rechter-commissaris. Tijdens de zitting kan hij de verklaring afleggen ten overstaan van de rechtbank.
3. De opgeëiste persoon kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de rechter-commissaris.
4. Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de opgeëiste persoon over de mogelijke gevolgen daarvan ingelicht. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt.
5. De rechter-commissaris zendt het proces-verbaal aan de officier van justitie.
2. Tot de aanvang van de zitting kan hij een verklaring als bedoeld in het eerste lid afleggen ten overstaan van de rechter-commissaris. Tijdens de zitting kan hij de verklaring afleggen ten overstaan van de rechtbank.
3. De opgeëiste persoon kan zich bij het afleggen van de verklaring doen bijstaan door een raadsman. Hierop wordt, zo hij zonder raadsman verschijnt, zijn aandacht gevestigd door de rechter-commissaris.
4. Voordat hij de verklaring aflegt, wordt de opgeëiste persoon over de mogelijke gevolgen daarvan ingelicht. Van de verklaring wordt proces-verbaal opgemaakt.
5. De rechter-commissaris zendt het proces-verbaal aan de officier van justitie.
- Citeren als
- Art. 36
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013796
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl