BWBR0013486
Geldig vanaf 2010-08-20
Artikel 16
Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
1. Indien kan worden aangetoond dat specimens van soorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en de uitvoeringsverordening rechtmatig binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht of verkregen, geldt, met inachtneming van artikel 9 van de basisverordening, een vrijstelling van het verbod op het vervoer, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, zoals opgenomen in bijlage A of B bij de basisverordening, voorzover het het vervoer in het veld betreft.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde inheemse of uitheemse diersoorten, zoals opgenomen in bijlage A of B bij de basisverordening, voorzover het het vervoer in het veld betreft.