BWBR0013486
Geldig vanaf 2010-08-20
Artikel 14
Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
1. Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetgeldt een vrijstelling voor levende specimens van in gevangenschap geboren en gefokte gewervelde dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, die geen in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, indien kan worden aangetoond dat de betreffende dieren gefokt zijn en voorzover:
a. gewervelde dieren in overeenstemming met artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de uitvoeringsverordening, zijn voorzien van een microchiptransponder en
b. voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens, indien in overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening een ander merkteken is aangebracht, voorzover de Minister of een overheidsorgaan van een andere lid-staat dan Nederland een schriftelijke verklaring heeft afgegeven.
3. Indien een microchiptransponder of een ander merkteken als bedoeld in het eerste of tweede lid, wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, eveneens, indien een daartoe strekkende door de Minister of een door een overheidsorgaan van een andere lid-staat afgegeven verklaring kan worden overgelegd.
4. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae), behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening.
a. gewervelde dieren in overeenstemming met artikel 36, eerste lid, onderdeel b, van de uitvoeringsverordening, zijn voorzien van een microchiptransponder en
b. voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten gestelde regels.
2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens, indien in overeenstemming met artikel 36 van de uitvoeringsverordening een ander merkteken is aangebracht, voorzover de Minister of een overheidsorgaan van een andere lid-staat dan Nederland een schriftelijke verklaring heeft afgegeven.
3. Indien een microchiptransponder of een ander merkteken als bedoeld in het eerste of tweede lid, wegens lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens aantoonbaar niet veilig kan worden aangebracht, geldt de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, eveneens, indien een daartoe strekkende door de Minister of een door een overheidsorgaan van een andere lid-staat afgegeven verklaring kan worden overgelegd.
4. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten (Primates) of de familie van de katachtigen (Felidae), behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening.