BWBR0013486
Geldig vanaf 2010-08-20
Artikel 15
Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
1. Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetgeldt een vrijstelling voor dode specimens van kunstmatig gekweekte of uit het wild afkomstige planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien:
a. het meer dan 50 jaar verkregen bewerkte specimens betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of indien
c. kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2. Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetvoor levende en dode specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
3. Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetgeldt een vrijstelling voor levende en dode specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde inheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, en levende specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, of, indien kan worden aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
4. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, zijn van toepassing, voorzover voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoortengestelde regels.
5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV, letter b), bij richtlijn 92/43EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).
a. het meer dan 50 jaar verkregen bewerkte specimens betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of indien
c. kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2. Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetvoor levende en dode specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
3. Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetgeldt een vrijstelling voor levende en dode specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde inheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A, B, C of D bij de basisverordening, en levende specimens van kunstmatig gekweekte planten, behorende tot beschermde uitheemse plantensoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen, of, indien kan worden aangetoond dat de planten in Nederland zijn gekweekt, of, indien het producten van die planten betreft, betrokken producten van gekweekte planten afkomstig zijn.
4. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, zijn van toepassing, voorzover voldaan is aan de krachtens artikel 18 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoortengestelde regels.
5. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV, letter b), bij richtlijn 92/43EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206).