BWBR0013486
Geldig vanaf 2010-08-20
Artikel 11
Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet
1. Van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetgeldt een vrijstelling voor dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte of uit het wild afkomstige dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, indien:
a. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of
c. kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2. Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetvoor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de dieren in Nederland zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die soorten betreft, betrokken producten van gefokte dieren afkomstig zijn.
3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op:
a. aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV, letter a), bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
b. te prepareren producten van dieren, behorende tot de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde uitheemse soorten, genoemd in bijlage A of B bij de basisverordening;
c. dode specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, voorzover het betreft botten en daarvan of daarmede vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmede vervaardigde producten anders dan jachttrofeeën van Ceratotherium simum simum afkomstig van de populatie van Zuid-Afrika, van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea);
d. levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten (Primates), de familie van de katachtigen (Felidae) genoemd in Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet of de fretkat (Cryptoprocta ferox), genoemd in bijlage B bij de basisverordening, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening;
e. voorzover het het bezit in het veld betreft, levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening.
a. het meer dan 50 jaar geleden verkregen bewerkte specimens betreft als omschreven in artikel 2, onder w, van de basisverordening;
b. het persoonlijke bezittingen of huisraad betreft als omschreven in artikel 2, onderdeel j, van de basisverordening of
c. kan worden aangetoond dat betreffende specimens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde en met inachtneming van de basisverordening en uitvoeringsverordening in Nederland zijn gebracht of verkregen.
2. Onverminderd artikel 13, vierde lid, van de wet, geldt een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wetvoor levende en dode specimens van in gevangenschap geboren en gefokte dieren, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B, C of D bij de basisverordening, indien kan worden aangetoond dat de dieren in Nederland zijn gefokt, of indien het eieren, nesten of producten van die soorten betreft, betrokken producten van gefokte dieren afkomstig zijn.
3. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op:
a. aan de natuur onttrokken dode specimens van soorten die voorkomen op bijlage IV, letter a), bij richtlijn 92/43 EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206);
b. te prepareren producten van dieren, behorende tot de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde uitheemse soorten, genoemd in bijlage A of B bij de basisverordening;
c. dode specimens van soorten, genoemd in bijlage A bij de basisverordening, voorzover het betreft botten en daarvan of daarmede vervaardigde producten van de tijger (Panthera tigris) en hoorns en daarvan of daarmede vervaardigde producten anders dan jachttrofeeën van Ceratotherium simum simum afkomstig van de populatie van Zuid-Afrika, van de soorten van de familie neushoorns (Rhinocerotidea);
d. levende specimens van soorten, behorende tot de orde van de primaten (Primates), de familie van de katachtigen (Felidae) genoemd in Bijlage 3 van de Regeling aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet of de fretkat (Cryptoprocta ferox), genoemd in bijlage B bij de basisverordening, behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening;
e. voorzover het het bezit in het veld betreft, levende specimens van de soorten roofvogels (orde Falconiformes) of uilen (orde Strigiformes), behorende tot beschermde uitheemse diersoorten, genoemd in bijlage B bij de basisverordening.