BWBR0012790
Geldig vanaf 2002-03-29
Artikel 3
Besluit zeevisvaartbemanning
1. Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister ontheffing verlenen van de verplichting om het vissersvaartuig te bemannen in overeenstemming met hoofdstuk 3, zoals vermeld op het bemanningscertificaat, indien blijkt dat:
a. korte tijd voor het vertrek van het vissersvaartuig uit de haven een of meer leden van de bemanning niet beschikbaar zijn;
b. dringende omstandigheden ertoe nopen het vertrek niet langer uit te stellen, en
c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het vissersvaartuig zonder gevaar voor het vaartuig of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.
2. Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wetverlenen, indien:
a. er onvoldoende bemanningsleden voorhanden zijn in het bezit van de vereiste kwalificaties,
b. de ontheffing verleend wordt aan een bemanningslid dat in het bezit is van het vaarbevoegdheidsbewijs dat vereist is voor de relevante lagere functie, en
c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het vissersvaartuig zonder gevaar voor het vaartuig of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.
3. Een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wetwordt voor de functie van schipper of hoofdwerktuigkundige slechts gegeven in zeer bijzondere omstandigheden die niet het gevolg zijn van het handelen of het nalaten van handelen van de zijde van de scheepsbeheerder en indien de vervulling gedurende korte tijd van die functie door een bemanningslid met een lagere bevoegdheid noodzakelijk is voor de voortzetting van de reis, en de veiligheid van het vissersvaartuig en de opvarenden, de veilige vaart ter zee en de bescherming van het mariene milieu gewaarborgd zijn.
a. korte tijd voor het vertrek van het vissersvaartuig uit de haven een of meer leden van de bemanning niet beschikbaar zijn;
b. dringende omstandigheden ertoe nopen het vertrek niet langer uit te stellen, en
c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het vissersvaartuig zonder gevaar voor het vaartuig of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.
2. Op verzoek van de scheepsbeheerder kan Onze Minister een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wetverlenen, indien:
a. er onvoldoende bemanningsleden voorhanden zijn in het bezit van de vereiste kwalificaties,
b. de ontheffing verleend wordt aan een bemanningslid dat in het bezit is van het vaarbevoegdheidsbewijs dat vereist is voor de relevante lagere functie, en
c. met de aan boord aanwezige bemanning, gelet op de bijzonderheden van de reis, het vissersvaartuig zonder gevaar voor het vaartuig of andere zaken, voor personen, het milieu of de scheepvaart deze reis kan ondernemen.
3. Een ontheffing als bedoeld in artikel 25 van de wetwordt voor de functie van schipper of hoofdwerktuigkundige slechts gegeven in zeer bijzondere omstandigheden die niet het gevolg zijn van het handelen of het nalaten van handelen van de zijde van de scheepsbeheerder en indien de vervulling gedurende korte tijd van die functie door een bemanningslid met een lagere bevoegdheid noodzakelijk is voor de voortzetting van de reis, en de veiligheid van het vissersvaartuig en de opvarenden, de veilige vaart ter zee en de bescherming van het mariene milieu gewaarborgd zijn.