BWBR0012651
Geldig vanaf 2005-05-01
Artikel 20
Besluit luchtvaartuigen
1. De houder van een bewijs van luchtwaardigheid is verplicht zijn vliegtuig, helicopter dan wel luchtschip, die voor commercieel vervoer worden gebruikt, te laten onderhouden door de houder van een MOA, dan wel door een door Onze Minister op grond van artikel 3.28 van de weterkend bedrijf.
2. De houder van een bewijs van luchtwaardigheid laat andere dan de in het eerste lid bedoelde luchtvaartuigen, onderhouden door de houder van een MOA, door de houder van een erkenning inzake onderhoud als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder e, dan wel door de houder van een bewijs van bevoegdheid inzake onderhoud ingevolge artikel 3.30 van de wet.
3. Onderhoud van luchtvaartuigen geschiedt overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.
2. De houder van een bewijs van luchtwaardigheid laat andere dan de in het eerste lid bedoelde luchtvaartuigen, onderhouden door de houder van een MOA, door de houder van een erkenning inzake onderhoud als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onder e, dan wel door de houder van een bewijs van bevoegdheid inzake onderhoud ingevolge artikel 3.30 van de wet.
3. Onderhoud van luchtvaartuigen geschiedt overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen.