BWBR0012651
Geldig vanaf 2005-05-01
Artikel 16
Besluit luchtvaartuigen
1. Onze Minister geeft op aanvraag aan de houder van een luchtvaartuig een standaard-BvL af, indien het luchtvaartuig in staat is om op veilige wijze vluchten uit te voeren, en:
a. het luchtvaartuig is ontworpen en geproduceerd in Nederland en het luchtvaartuig, alsmede onderdelen en uitrustingsstukken daarvan, voldoen aan het door Onze Minister afgegeven type-certificaat, dat voor het desbetreffende type is afgegeven, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet,
b. het luchtvaartuig voldoet aan het type-certificaat dat door Onze Minister is afgegeven op basis van een door de JAA uitgevoerde certificatieprocedure, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet,
c. het luchtvaartuig geproduceerd is in en afkomstig is uit een staat waarmee Onze Minister een overeenkomst heeft gesloten, aangaande wederzijdse erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, en 1°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister afgegeven type-certificaat, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
2°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd type-ontwerp, de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, is ontworpen en geproduceerd overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de betrokken staat en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
1°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister afgegeven type-certificaat, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
2°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd type-ontwerp, de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, is ontworpen en geproduceerd overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de betrokken staat en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
d. het luchtvaartuig geproduceerd is in of afkomstig is uit een staat waarmee Onze Minister geen overeenkomst heeft gesloten aangaande wederzijdse erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, en indien het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd type-ontwerp en de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en is ontworpen en geproduceerd, overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de staat van oorsprong.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde.
a. het luchtvaartuig is ontworpen en geproduceerd in Nederland en het luchtvaartuig, alsmede onderdelen en uitrustingsstukken daarvan, voldoen aan het door Onze Minister afgegeven type-certificaat, dat voor het desbetreffende type is afgegeven, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet,
b. het luchtvaartuig voldoet aan het type-certificaat dat door Onze Minister is afgegeven op basis van een door de JAA uitgevoerde certificatieprocedure, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet,
c. het luchtvaartuig geproduceerd is in en afkomstig is uit een staat waarmee Onze Minister een overeenkomst heeft gesloten, aangaande wederzijdse erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, en 1°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister afgegeven type-certificaat, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
2°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd type-ontwerp, de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, is ontworpen en geproduceerd overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de betrokken staat en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
1°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister afgegeven type-certificaat, de van toepassing zijnde aanvullende type-certificaten en de aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
2°. het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd type-ontwerp, de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, is ontworpen en geproduceerd overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de betrokken staat en voldoet aan de bijzondere eisen die op de datum van aanvraag van het bewijs van luchtwaardigheid van toepassing zijn en ter kennis zijn gebracht van de betrokken staat of staten, of
d. het luchtvaartuig geproduceerd is in of afkomstig is uit een staat waarmee Onze Minister geen overeenkomst heeft gesloten aangaande wederzijdse erkenning van bewijzen van luchtwaardigheid, en indien het luchtvaartuig voldoet aan een door Onze Minister goedgekeurd type-ontwerp en de van toepassing zijnde aanwijzingen, bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van de wet, en is ontworpen en geproduceerd, overeenkomstig de van toepassing zijnde regelingen van de staat van oorsprong.
2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent het in het eerste lid bepaalde.