BWBR0012651
Geldig vanaf 2005-05-01
Artikel 18
Besluit luchtvaartuigen
1. Onze Minister geeft op aanvraag aan de houder van een nieuw luchtvaartuig het export-BvL af, indien:
a. Onze Minister met de staat van invoer een overeenkomst heeft gesloten aangaande de erkenning van het export-BvL,
b. het luchtvaartuig voldoet aan een type-ontwerp dat acceptabel is voor de bevoegde autoriteit van de staat van invoer;
c. het luchtvaartuig is geproduceerd door een houder van een POA, dan wel door degene die toestemming heeft verkregen, als bedoeld in artikel 41,
d. het luchtvaartuig voldoet aan de aanvullende eisen voor invoer die de bevoegde autoriteit van de staat van invoer stelt,
e. de bij ministeriële regeling vereiste documentatie is overgelegd,
f. het luchtvaartuig is geïdentificeerd overeenkomstig JAR 21, subpart Q, en
g. het luchtvaartuig zich op een zodanige plaats bevindt, dat Onze Minister kan vaststellen dat aan de onder b tot en met f, gestelde eisen is voldaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gebruikte luchtvaartuigen, met uitzondering van onderdeel c, en met dien verstande dat de houder beschikt over een standaard-BvL, dan wel het luchtvaartuig in aanmerking komt voor een standaard-BvL.
3. Aan de eisen in het eerste lid, onder b tot en met e en het tweede lid, behoeft niet te worden voldaan, indien de bevoegde autoriteit van de staat van invoer daarmee instemt.
4. In het geval beschreven in het derde lid, worden afwijkingen van het product ten opzichte van het type-certificaat op het exportbewijs als uitzonderingen opgenomen.
a. Onze Minister met de staat van invoer een overeenkomst heeft gesloten aangaande de erkenning van het export-BvL,
b. het luchtvaartuig voldoet aan een type-ontwerp dat acceptabel is voor de bevoegde autoriteit van de staat van invoer;
c. het luchtvaartuig is geproduceerd door een houder van een POA, dan wel door degene die toestemming heeft verkregen, als bedoeld in artikel 41,
d. het luchtvaartuig voldoet aan de aanvullende eisen voor invoer die de bevoegde autoriteit van de staat van invoer stelt,
e. de bij ministeriële regeling vereiste documentatie is overgelegd,
f. het luchtvaartuig is geïdentificeerd overeenkomstig JAR 21, subpart Q, en
g. het luchtvaartuig zich op een zodanige plaats bevindt, dat Onze Minister kan vaststellen dat aan de onder b tot en met f, gestelde eisen is voldaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gebruikte luchtvaartuigen, met uitzondering van onderdeel c, en met dien verstande dat de houder beschikt over een standaard-BvL, dan wel het luchtvaartuig in aanmerking komt voor een standaard-BvL.
3. Aan de eisen in het eerste lid, onder b tot en met e en het tweede lid, behoeft niet te worden voldaan, indien de bevoegde autoriteit van de staat van invoer daarmee instemt.
4. In het geval beschreven in het derde lid, worden afwijkingen van het product ten opzichte van het type-certificaat op het exportbewijs als uitzonderingen opgenomen.