BWBR0012651
Geldig vanaf 2005-05-01
Artikel 12
Besluit luchtvaartuigen
1. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een JAA-persoon, is bevoegd tot overdracht van het aanvullend type-certificaat aan een houder van een daarvoor naar het oordeel van Onze Minister toegeruste DOA-JA.
2. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een JAA-persoon, is verplicht:
a. te voldoen aan JAR 21.3;
b. het aanvullend type-certificaat op verzoek van de minister ter beschikking te stellen;
c. alle ontwerp-informatie, tekeningen, test- en inspectierapporten ter beschikking te houden van de minister;
d. kopieën van handboeken op verzoek aan de minister ter beschikking te stellen, en
e. de instructies over voortdurende luchtwaardigheid aan de houders van het betreffende luchtvaartuig ter beschikking te stellen en op verzoek aan andere personen, die gehouden zijn deze instructies na te leven.
3. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon, is verplicht te voldoen aan de onderdelen b tot en met e van het tweede lid.
4. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon, is bevoegd tot overdracht van het type-certificaat aan een niet-JAA-persoon:
a. die bereid is de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, op zich te nemen;
b. ten aanzien van wie Onze Minister op grond van de in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, bedoelde gezamenlijke procedures constateert dat hij aan de verplichtingen kan voldoen.
2. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een JAA-persoon, is verplicht:
a. te voldoen aan JAR 21.3;
b. het aanvullend type-certificaat op verzoek van de minister ter beschikking te stellen;
c. alle ontwerp-informatie, tekeningen, test- en inspectierapporten ter beschikking te houden van de minister;
d. kopieën van handboeken op verzoek aan de minister ter beschikking te stellen, en
e. de instructies over voortdurende luchtwaardigheid aan de houders van het betreffende luchtvaartuig ter beschikking te stellen en op verzoek aan andere personen, die gehouden zijn deze instructies na te leven.
3. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon, is verplicht te voldoen aan de onderdelen b tot en met e van het tweede lid.
4. De houder van een aanvullend type-certificaat, zijnde een niet-JAA-persoon, is bevoegd tot overdracht van het type-certificaat aan een niet-JAA-persoon:
a. die bereid is de verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, op zich te nemen;
b. ten aanzien van wie Onze Minister op grond van de in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, bedoelde gezamenlijke procedures constateert dat hij aan de verplichtingen kan voldoen.