BWBR0012467
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 24
Uniform Aanbestedingsreglement 2001
1. Voor de opdracht van het werk komen alleen inschrijvers in aanmerking die op zowel de dag van aanbesteding als de dag van opdrachtverlening voldoen aan de eisen die in de bekendmaking en het bestek zijn vermeld en die redelijkerwijs in staat moeten worden geacht het werk vakkundig en op regelmatige wijze uit te voeren. Het is de aanbesteder niet toegestaan af te wijken van de in de bekendmaking en het bestek vermelde eisen.
2. Onverminderd het eerste lid geschiedt de opdracht van het werk aan:
a. de inschrijver die de laagste prijs heeft aangeboden;
b. de inschrijver met de economisch meest voordelige aanbieding, indien het een inschrijving, inhoudende een alternatieve aanbieding betreft die door de aanbesteder in beschouwing is genomen;
c. de inschrijver met de economisch meest voordelige aanbieding, indien in de bekendmaking of het bestek overeenkomstig artikel 7, vierde lid, een of meer gunningscriteria zijn vermeld die anders zijn dan alleen de laagste prijs. Het is de aanbesteder niet toegestaan af te wijken van de in de bekendmaking en het bestek vermelde gunningscriteria.
3. De aanbesteder neemt slechts kennis van de bescheiden die zijn gesloten in de enveloppe, bedoeld in artikel 12, vierde lid, voorzover deze betrekking hebben op de aanbieding van de inschrijver die ingevolge het tweede lid van dit artikel voor de opdracht van het werk in aanmerking komt. De overige enveloppen zendt de aanbesteder ongeopend aan de daarop vermelde inschrijver terug, met uitzondering van de enveloppen, bedoeld in artikel 42, vijfde lid, voorzover de toepasselijkheid van de artikelen 42en 43niet in de bekendmaking is uitgesloten.
4. Voor de opdracht van het werk volgens een alternatieve aanbieding komt uitsluitend de inschrijver in aanmerking die deze aanbieding heeft gedaan.
5. Indien twee of meer inschrijvers gelijkelijk voor de opdracht van het werk in aanmerking komen, beslist het lot aan wie van hen het werk zal worden opgedragen. De betrokken inschrijvers worden er tijdig van in kennis gesteld dat een loting zal plaats hebben en waar, wanneer en door wie de loting zal worden gehouden. Zij zijn bevoegd daarbij in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig te zijn.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid is de aanbesteder niet gehouden het werk op te dragen aan de daarvoor in aanmerking komende inschrijver, indien deze inschrijver bij de aanbesteding of bij een aanbesteding die minder dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden, in strijd met de waarheid de verklaring, bedoeld in artikel 11, tweede lid, heeft ondertekend en afgegeven.
7. In afwijking van het eerste en tweede lid is de aanbesteder niet gehouden het werk op te dragen aan de daarvoor in aanmerking komende inschrijver, indien deze niet heeft voldaan aan het verzoek, bedoeld in artikel 20, eerste lid.
8. Een inschrijver kan de aanbesteder schriftelijk verzoeken in kennis te worden gesteld van de redenen die ertoe hebben geleid dat het werk niet aan hem is opgedragen. De aanbesteder deelt binnen 14 dagen na ontvangst van het verzoek aan de verzoeker schriftelijk deze redenen mee. Indien de aanbesteder het werk heeft opgedragen aan de inschrijver, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevatten de redenen een aanduiding van de door deze inschrijver gedane alternatieve aanbieding. De aanbesteder deelt aan de verzoeker voorts de naam mede van de inschrijver aan wie het werk is opgedragen.
9. De aanbesteder is niet gehouden het werk op te dragen indien hij daarvoor goede gronden heeft. Daarvan is in ieder geval sprake:
a. indien geen der inschrijvers van wie de inschrijvingssommen gelijk zijn aan of lager zijn dan hetgeen de aanbesteder op basis van een zorgvuldige begroting van kosten redelijkerwijs mocht verwachten, voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, of
b. indien de inschrijvingssommen, na het in het kader van artikel 20 gevoerde overleg, hoger zijn dan de aanbesteder op basis van een zorgvuldige begroting van kosten redelijkerwijs mocht verwachten.
10. Indien de aanbesteder besluit het werk niet op te dragen, deelt hij dit zo spoedig mogelijk schriftelijk, onder vermelding van de gronden, aan alle inschrijvers mede.
2. Onverminderd het eerste lid geschiedt de opdracht van het werk aan:
a. de inschrijver die de laagste prijs heeft aangeboden;
b. de inschrijver met de economisch meest voordelige aanbieding, indien het een inschrijving, inhoudende een alternatieve aanbieding betreft die door de aanbesteder in beschouwing is genomen;
c. de inschrijver met de economisch meest voordelige aanbieding, indien in de bekendmaking of het bestek overeenkomstig artikel 7, vierde lid, een of meer gunningscriteria zijn vermeld die anders zijn dan alleen de laagste prijs. Het is de aanbesteder niet toegestaan af te wijken van de in de bekendmaking en het bestek vermelde gunningscriteria.
3. De aanbesteder neemt slechts kennis van de bescheiden die zijn gesloten in de enveloppe, bedoeld in artikel 12, vierde lid, voorzover deze betrekking hebben op de aanbieding van de inschrijver die ingevolge het tweede lid van dit artikel voor de opdracht van het werk in aanmerking komt. De overige enveloppen zendt de aanbesteder ongeopend aan de daarop vermelde inschrijver terug, met uitzondering van de enveloppen, bedoeld in artikel 42, vijfde lid, voorzover de toepasselijkheid van de artikelen 42en 43niet in de bekendmaking is uitgesloten.
4. Voor de opdracht van het werk volgens een alternatieve aanbieding komt uitsluitend de inschrijver in aanmerking die deze aanbieding heeft gedaan.
5. Indien twee of meer inschrijvers gelijkelijk voor de opdracht van het werk in aanmerking komen, beslist het lot aan wie van hen het werk zal worden opgedragen. De betrokken inschrijvers worden er tijdig van in kennis gesteld dat een loting zal plaats hebben en waar, wanneer en door wie de loting zal worden gehouden. Zij zijn bevoegd daarbij in persoon of bij gemachtigde tegenwoordig te zijn.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid is de aanbesteder niet gehouden het werk op te dragen aan de daarvoor in aanmerking komende inschrijver, indien deze inschrijver bij de aanbesteding of bij een aanbesteding die minder dan vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden, in strijd met de waarheid de verklaring, bedoeld in artikel 11, tweede lid, heeft ondertekend en afgegeven.
7. In afwijking van het eerste en tweede lid is de aanbesteder niet gehouden het werk op te dragen aan de daarvoor in aanmerking komende inschrijver, indien deze niet heeft voldaan aan het verzoek, bedoeld in artikel 20, eerste lid.
8. Een inschrijver kan de aanbesteder schriftelijk verzoeken in kennis te worden gesteld van de redenen die ertoe hebben geleid dat het werk niet aan hem is opgedragen. De aanbesteder deelt binnen 14 dagen na ontvangst van het verzoek aan de verzoeker schriftelijk deze redenen mee. Indien de aanbesteder het werk heeft opgedragen aan de inschrijver, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevatten de redenen een aanduiding van de door deze inschrijver gedane alternatieve aanbieding. De aanbesteder deelt aan de verzoeker voorts de naam mede van de inschrijver aan wie het werk is opgedragen.
9. De aanbesteder is niet gehouden het werk op te dragen indien hij daarvoor goede gronden heeft. Daarvan is in ieder geval sprake:
a. indien geen der inschrijvers van wie de inschrijvingssommen gelijk zijn aan of lager zijn dan hetgeen de aanbesteder op basis van een zorgvuldige begroting van kosten redelijkerwijs mocht verwachten, voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, of
b. indien de inschrijvingssommen, na het in het kader van artikel 20 gevoerde overleg, hoger zijn dan de aanbesteder op basis van een zorgvuldige begroting van kosten redelijkerwijs mocht verwachten.
10. Indien de aanbesteder besluit het werk niet op te dragen, deelt hij dit zo spoedig mogelijk schriftelijk, onder vermelding van de gronden, aan alle inschrijvers mede.