BWBR0012467
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 20
Uniform Aanbestedingsreglement 2001
1. Een inschrijver kan zijn aanbieding na het tijdstip van de aanbesteding niet wijzigen of aanvullen, tenzij het de inschrijver betreft die, gelet op het bepaalde in artikel 24, tweede lid, in aanmerking komt voor de opdracht van het werk en de aanbesteder aan deze inschrijver een verzoek tot wijziging of aanvulling heeft gedaan. Bij het verzoek tot wijziging of aanvulling maakt de aanbesteder geen gebruik van hetgeen hem op basis van aanbiedingen van andere inschrijvers bekend is. De inschrijver wijst een dergelijk verzoek niet af dan nadat tussen hem en de aanbesteder overleg over het verzoek heeft plaatsgevonden. Aan een zodanig verzoek kan door de inschrijver geen aanspraak op de opdracht worden ontleend.
2. De aanbesteder doet een verzoek als bedoeld in het eerste lid, indien de inschrijvingssommen hoger zijn dan hetgeen de aanbesteder op basis van een zorgvuldige begroting van kosten redelijkerwijs mocht verwachten, een en ander onverminderd de mogelijkheid van de aanbieding gebruik te maken.
3. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, dat geen ander doel heeft dan het wijzigen van de inschrijvingssom, wordt niet gedaan indien deze inschrijvingssom overeenstemt met of lager is dan het bedrag van de begroting van de aanbesteder.
4. Indien de aanbesteder een verzoek als bedoeld in het eerste lid doet, is hij desgevraagd gehouden om zijn begroting over te leggen aan de inschrijver, bedoeld in het eerste lid. De opbouw van de begroting dient aan te sluiten bij de door de aanbesteder in het bestek verlangde specificatie van de inschrijvingssom.
5. Indien de aanbesteder niet eerder verlangd heeft dat een specificatie van de inschrijvingssom wordt overgelegd, is hij daartoe alsnog gerechtigd bij het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
6. Partijen dienen de begroting, onderscheidenlijk de specificatie van de inschrijvingssom, over en weer vertrouwelijk te behandelen.
7. Indien het in het eerste lid bedoelde overleg niet leidt tot een opdracht, kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid worden gedaan aan de inschrijver die daarna op grond van artikel 24, tweede lid, voor de opdracht in aanmerking komt. In dat geval zijn de vorige leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing. Het verzoek wordt niet gedaan dan nadat de aanbesteder aan de inschrijver met wie het in het eerste lid bedoelde overleg is gevoerd, schriftelijk heeft meegedeeld dat aan hem geen opdracht wordt verleend.
8. Een verzoek als bedoeld in het zevende lid kan niet worden gedaan indien het niet verlenen van de opdracht aan de inschrijver met wie het in het eerste lid bedoelde overleg is gevoerd, moet worden toegerekend aan de aanbesteder.
2. De aanbesteder doet een verzoek als bedoeld in het eerste lid, indien de inschrijvingssommen hoger zijn dan hetgeen de aanbesteder op basis van een zorgvuldige begroting van kosten redelijkerwijs mocht verwachten, een en ander onverminderd de mogelijkheid van de aanbieding gebruik te maken.
3. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, dat geen ander doel heeft dan het wijzigen van de inschrijvingssom, wordt niet gedaan indien deze inschrijvingssom overeenstemt met of lager is dan het bedrag van de begroting van de aanbesteder.
4. Indien de aanbesteder een verzoek als bedoeld in het eerste lid doet, is hij desgevraagd gehouden om zijn begroting over te leggen aan de inschrijver, bedoeld in het eerste lid. De opbouw van de begroting dient aan te sluiten bij de door de aanbesteder in het bestek verlangde specificatie van de inschrijvingssom.
5. Indien de aanbesteder niet eerder verlangd heeft dat een specificatie van de inschrijvingssom wordt overgelegd, is hij daartoe alsnog gerechtigd bij het doen van een verzoek als bedoeld in het eerste lid.
6. Partijen dienen de begroting, onderscheidenlijk de specificatie van de inschrijvingssom, over en weer vertrouwelijk te behandelen.
7. Indien het in het eerste lid bedoelde overleg niet leidt tot een opdracht, kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid worden gedaan aan de inschrijver die daarna op grond van artikel 24, tweede lid, voor de opdracht in aanmerking komt. In dat geval zijn de vorige leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing. Het verzoek wordt niet gedaan dan nadat de aanbesteder aan de inschrijver met wie het in het eerste lid bedoelde overleg is gevoerd, schriftelijk heeft meegedeeld dat aan hem geen opdracht wordt verleend.
8. Een verzoek als bedoeld in het zevende lid kan niet worden gedaan indien het niet verlenen van de opdracht aan de inschrijver met wie het in het eerste lid bedoelde overleg is gevoerd, moet worden toegerekend aan de aanbesteder.