BWBR0012010
Geldig vanaf 2000-12-22
Artikel B
Regeling inzake hygiënevoorschriften besmettelijke dierziekten 2000
1. Een adequate reiniging bestaat opeenvolgend uit de volgende handelingen:
a. verwijdering van aanwezig grof vuil, zoals mest, strooisel en eventuele voerresten;
b. losweking van aanwezig fijner vuil of vet, bij voorkeur door het aanbrengen van een reinigingsmiddel op alle oppervlakken;
c. verwijdering van de losgeweekte vuil- en vetdeeltjes en het reinigingsmiddel door middel van afspoeling van alle oppervlakken, bij voorkeur met water met een temperatuur van ten minste 70o C.
2. Indien de reiniging plaatsvindt op een slachtplaats is het gebruikte water van drinkwaterkwaliteit overeenkomstig richtlijn 80/778/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 229).
3. Alle verwijderbare voorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, worden verwijderd en apart gereinigd.
4. Alle losse gebruiksvoorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, alsmede eventuele matten in de cabine voor de chauffeur en eventuele bijrijders worden apart gereinigd.
5. De cabine wordt gereinigd, met inbegrip van de pedalen, de cabinevloer en de bedieningsinstrumenten die in contact komen met de chauffeur of eventuele bijrijders.
a. verwijdering van aanwezig grof vuil, zoals mest, strooisel en eventuele voerresten;
b. losweking van aanwezig fijner vuil of vet, bij voorkeur door het aanbrengen van een reinigingsmiddel op alle oppervlakken;
c. verwijdering van de losgeweekte vuil- en vetdeeltjes en het reinigingsmiddel door middel van afspoeling van alle oppervlakken, bij voorkeur met water met een temperatuur van ten minste 70o C.
2. Indien de reiniging plaatsvindt op een slachtplaats is het gebruikte water van drinkwaterkwaliteit overeenkomstig richtlijn 80/778/EEGvan de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1980 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 229).
3. Alle verwijderbare voorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, worden verwijderd en apart gereinigd.
4. Alle losse gebruiksvoorwerpen die bij het vervoermiddel behoren, alsmede eventuele matten in de cabine voor de chauffeur en eventuele bijrijders worden apart gereinigd.
5. De cabine wordt gereinigd, met inbegrip van de pedalen, de cabinevloer en de bedieningsinstrumenten die in contact komen met de chauffeur of eventuele bijrijders.