BWBR0011576
Geldig vanaf 2000-09-09
Artikel 4
Richtlijn jaarverslaggeving hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. De jaarrekening bestaat uit de balans, de exploitatierekening, het kasstroomoverzicht en de toelichting.
2. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat van de instelling, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de instelling.
3. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten aan het einde van het boekjaar weer. De balans geeft het vermogen weer, zoals het is samengesteld na de verwerking van de bestemming van het exploitatiesaldo.
4. De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo over het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer.
5. Indien het verschaffen van het in het tweede lid bedoelde inzicht dit vereist, verstrekt de instelling in de jaarrekening gegevens ter aanvulling van hetgeen in de bijzondere voorschriften in deze richtlijn wordt verlangd. Indien dit noodzakelijk is voor het verschaffen van dat inzicht, wijkt de instelling van die voorschriften af; de reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, onder opgaaf van de invloed ervan op het vermogen en het exploitatiesaldo.
6. De baten en lasten van het boekjaar worden in de jaarrekening opgenomen, onverschillig of zij tot ontvangsten of uitgaven in dat boekjaar hebben geleid.
7. De jaarrekening wordt vastgesteld en aan goedkeuring onderworpen met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de datum waarop de desbetreffende vaststellings- en goedkeuringsbesluiten zijn genomen, voor zover dat onontbeerlijk is voor het in het tweede lid bedoelde inzicht.
2. De jaarrekening geeft volgens normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd een zodanig inzicht dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen en het resultaat van de instelling, alsmede voor zover de aard van een jaarrekening dat toelaat, omtrent de solvabiliteit en de liquiditeit van de instelling.
3. De balans met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het vermogen en zijn samenstelling in actief- en passiefposten aan het einde van het boekjaar weer. De balans geeft het vermogen weer, zoals het is samengesteld na de verwerking van de bestemming van het exploitatiesaldo.
4. De exploitatierekening met de toelichting geeft getrouw, duidelijk en stelselmatig de grootte van het exploitatiesaldo over het boekjaar en zijn afleiding uit de posten van baten en lasten weer.
5. Indien het verschaffen van het in het tweede lid bedoelde inzicht dit vereist, verstrekt de instelling in de jaarrekening gegevens ter aanvulling van hetgeen in de bijzondere voorschriften in deze richtlijn wordt verlangd. Indien dit noodzakelijk is voor het verschaffen van dat inzicht, wijkt de instelling van die voorschriften af; de reden van deze afwijking wordt in de toelichting uiteengezet, onder opgaaf van de invloed ervan op het vermogen en het exploitatiesaldo.
6. De baten en lasten van het boekjaar worden in de jaarrekening opgenomen, onverschillig of zij tot ontvangsten of uitgaven in dat boekjaar hebben geleid.
7. De jaarrekening wordt vastgesteld en aan goedkeuring onderworpen met inachtneming van hetgeen omtrent de financiële toestand op de balansdatum is gebleken tussen het opmaken van de jaarrekening en de datum waarop de desbetreffende vaststellings- en goedkeuringsbesluiten zijn genomen, voor zover dat onontbeerlijk is voor het in het tweede lid bedoelde inzicht.