BWBR0011576
Geldig vanaf 2000-09-09
Artikel 28
Richtlijn jaarverslaggeving hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. Bij de keuze van een grondslag voor de waardering van een actief en van een passief en voor de bepaling van het exploitatiesaldo laat de instelling zich leiden door de voorschriften van artikel 4, tweede tot en met vierde lid. Als grondslag komt in aanmerking de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. In aanvulling hierop gelden voor specifieke activa de volgende waarderingsgrondslagen:
a. buiten gebruik gestelde activa: als de verwachte opbrengst lager is dan de boekwaarde, waarderen tegen deze lagere opbrengstwaarde;
b. deelnemingen, indien sprake is van invloed van betekenis wordt de deelneming gewaardeerd tegen nettovermogenswaarde; indien geen sprake is van invloed van betekenis wordt de deelneming gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of actuele waarde als deze lager is;
c. overige effecten onder financiële vaste activa en effecten onder vlottende activa: waarderen tegen de verkrijgingsprijs dan wel de marktwaarde, indien deze lager is.
2. Als de actuele waarde, of een indicatie hiervan, belangrijk afwijkt van de boekwaarde, wordt ook die actuele waarde opgenomen in de toelichting.
3. Bij de toepassing van de grondslagen wordt voorzichtigheid betracht. Resultaten worden slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij voor het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden.
4. Bij de waardering van activa en passiva wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geheel van de werkzaamheden van de instelling waaraan die activa en passiva dienstbaar zijn, wordt voortgezet, tenzij die veronderstelling onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is: alsdan wordt dit onder mededeling van de invloed op vermogen en exploitatiesaldo in de toelichting uiteengezet.
5. De grondslagen van de waardering van de activa en de passiva en de bepaling van het exploitatiesaldo worden met betrekking tot elk der posten uiteengezet. De grondslagen voor de omrekening van in vreemde valuta luidende bedragen worden uiteengezet: tevens wordt vermeld op welke wijze koersverschillen zijn verwerkt.
6. Slechts wegens gegronde redenen mogen de waardering van activa en passiva en de bepaling van het exploitatiesaldo geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande boekjaar zijn toegepast. De redenen van de verandering worden in de toelichting uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor vermogen en exploitatiesaldo, aan de hand van de aangepaste cijfers voor het boekjaar of voor het voorafgaande boekjaar.
7. Immateriële vaste activa mogen slechts in de balans worden opgenomen, indien de verwachting gefundeerd is dat de toekomstige opbrengsten die met deze activa samenhangen, voldoende ruimte laten voor afschrijvingen.
8. De in artikel 11 genoemde activa worden opgenomen tot ten hoogste de daarvoor gedane uitgaven, verminderd met de afschrijvingen.
9. Resultaat op onderhanden werk in opdracht van derden dient geheel te worden verantwoord in het boekjaar waarin het desbetreffende project wordt opgeleverd.
a. buiten gebruik gestelde activa: als de verwachte opbrengst lager is dan de boekwaarde, waarderen tegen deze lagere opbrengstwaarde;
b. deelnemingen, indien sprake is van invloed van betekenis wordt de deelneming gewaardeerd tegen nettovermogenswaarde; indien geen sprake is van invloed van betekenis wordt de deelneming gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of actuele waarde als deze lager is;
c. overige effecten onder financiële vaste activa en effecten onder vlottende activa: waarderen tegen de verkrijgingsprijs dan wel de marktwaarde, indien deze lager is.
2. Als de actuele waarde, of een indicatie hiervan, belangrijk afwijkt van de boekwaarde, wordt ook die actuele waarde opgenomen in de toelichting.
3. Bij de toepassing van de grondslagen wordt voorzichtigheid betracht. Resultaten worden slechts opgenomen, voor zover zij op de balansdatum zijn verwezenlijkt. Verliezen en risico's die hun oorsprong vinden voor het einde van het boekjaar, worden in acht genomen, indien zij voor het opmaken van de jaarrekening zijn bekend geworden.
4. Bij de waardering van activa en passiva wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geheel van de werkzaamheden van de instelling waaraan die activa en passiva dienstbaar zijn, wordt voortgezet, tenzij die veronderstelling onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is: alsdan wordt dit onder mededeling van de invloed op vermogen en exploitatiesaldo in de toelichting uiteengezet.
5. De grondslagen van de waardering van de activa en de passiva en de bepaling van het exploitatiesaldo worden met betrekking tot elk der posten uiteengezet. De grondslagen voor de omrekening van in vreemde valuta luidende bedragen worden uiteengezet: tevens wordt vermeld op welke wijze koersverschillen zijn verwerkt.
6. Slechts wegens gegronde redenen mogen de waardering van activa en passiva en de bepaling van het exploitatiesaldo geschieden op andere grondslagen dan die welke in het voorafgaande boekjaar zijn toegepast. De redenen van de verandering worden in de toelichting uiteengezet. Tevens wordt inzicht gegeven in haar betekenis voor vermogen en exploitatiesaldo, aan de hand van de aangepaste cijfers voor het boekjaar of voor het voorafgaande boekjaar.
7. Immateriële vaste activa mogen slechts in de balans worden opgenomen, indien de verwachting gefundeerd is dat de toekomstige opbrengsten die met deze activa samenhangen, voldoende ruimte laten voor afschrijvingen.
8. De in artikel 11 genoemde activa worden opgenomen tot ten hoogste de daarvoor gedane uitgaven, verminderd met de afschrijvingen.
9. Resultaat op onderhanden werk in opdracht van derden dient geheel te worden verantwoord in het boekjaar waarin het desbetreffende project wordt opgeleverd.