BWBR0011576
Geldig vanaf 2000-09-09
Artikel 29
Richtlijn jaarverslaggeving hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
1. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het exploitatiesaldo van het boekjaar.
2. De methoden volgens welke de afschrijvingen zijn berekend worden in de toelichting uiteengezet.
3. De geactiveerde kosten van goodwil worden afgeschreven naar gelang van de verwachte gebruiksduur. De afschrijvingsduur mag vijf jaren slechts te boven gaan, indien de goodwill aan een aanzienlijk langer tijdvak kan worden toegerekend; alsdan moet de afschrijvingsduur met de redenen hiervoor worden opgegeven.
4. Op terreinen wordt niet afgeschreven.
5. Op materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks lineair afgeschreven volgens een stelsel dat op de verwachte economische levensduur en de restwaarde is afgestemd. In de jaarrekening dienen hierbij voor onder andere de bepaling van de benodigde afschrijvingsbedragen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd, voor onder andere de te onderscheiden hoofdcategorieën:
a. gebouwen van voor 2000;
b. investeringen in gebouwen vanaf 2000: i. casco;
ii. afbouw;
iii. inbouwpakket;
iv. technische installaties;
v. investeringen in huurpanden;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
i. casco;
ii. afbouw;
iii. inbouwpakket;
iv. technische installaties;
v. investeringen in huurpanden;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
c. uitgaven groot onderhoud worden zoveel mogelijk geactiveerd, in relatie tot bovengenoemde categorieën;
d. inventaris;
e. apparatuur; i. hardware;
ii. software
iii. overige apparatuur;
i. hardware;
ii. software
iii. overige apparatuur;
f. bedragen boven ƒ 25.000 dienen altijd geactiveerd te worden, de activeringsgrens mag echter ook lager liggen.
6. In de OCenW-bijlage dient voor de materiële vaste activa gebouwen tevens een sluitend mutatieoverzicht overeenkomstig artikel 14 te worden opgenomen op basis van de voorgaande leden, en de onderstaande afschrijvingstermijnen:
a. gebouwen van voor 2000: 30 jaar (integraal);
b. investeringen in gebouwen vanaf 2000: i. casco: 60 jaar;
ii. afbouw: 30 jaar;
iii. inbouwpakket: 15 jaar;
iv. technische installaties: 15 jaar;
v. investeringen in huurpanden: 10 jaar of kortere huurtermijn;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
i. casco: 60 jaar;
ii. afbouw: 30 jaar;
iii. inbouwpakket: 15 jaar;
iv. technische installaties: 15 jaar;
v. investeringen in huurpanden: 10 jaar of kortere huurtermijn;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
2. De methoden volgens welke de afschrijvingen zijn berekend worden in de toelichting uiteengezet.
3. De geactiveerde kosten van goodwil worden afgeschreven naar gelang van de verwachte gebruiksduur. De afschrijvingsduur mag vijf jaren slechts te boven gaan, indien de goodwill aan een aanzienlijk langer tijdvak kan worden toegerekend; alsdan moet de afschrijvingsduur met de redenen hiervoor worden opgegeven.
4. Op terreinen wordt niet afgeschreven.
5. Op materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks lineair afgeschreven volgens een stelsel dat op de verwachte economische levensduur en de restwaarde is afgestemd. In de jaarrekening dienen hierbij voor onder andere de bepaling van de benodigde afschrijvingsbedragen de volgende uitgangspunten te worden gehanteerd, voor onder andere de te onderscheiden hoofdcategorieën:
a. gebouwen van voor 2000;
b. investeringen in gebouwen vanaf 2000: i. casco;
ii. afbouw;
iii. inbouwpakket;
iv. technische installaties;
v. investeringen in huurpanden;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
i. casco;
ii. afbouw;
iii. inbouwpakket;
iv. technische installaties;
v. investeringen in huurpanden;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
1. uitgaven aanleg sportterreinen;
2. overige terreinvoorzieningen;
c. uitgaven groot onderhoud worden zoveel mogelijk geactiveerd, in relatie tot bovengenoemde categorieën;
d. inventaris;
e. apparatuur; i. hardware;
ii. software
iii. overige apparatuur;
i. hardware;
ii. software
iii. overige apparatuur;
f. bedragen boven ƒ 25.000 dienen altijd geactiveerd te worden, de activeringsgrens mag echter ook lager liggen.
6. In de OCenW-bijlage dient voor de materiële vaste activa gebouwen tevens een sluitend mutatieoverzicht overeenkomstig artikel 14 te worden opgenomen op basis van de voorgaande leden, en de onderstaande afschrijvingstermijnen:
a. gebouwen van voor 2000: 30 jaar (integraal);
b. investeringen in gebouwen vanaf 2000: i. casco: 60 jaar;
ii. afbouw: 30 jaar;
iii. inbouwpakket: 15 jaar;
iv. technische installaties: 15 jaar;
v. investeringen in huurpanden: 10 jaar of kortere huurtermijn;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
i. casco: 60 jaar;
ii. afbouw: 30 jaar;
iii. inbouwpakket: 15 jaar;
iv. technische installaties: 15 jaar;
v. investeringen in huurpanden: 10 jaar of kortere huurtermijn;
vi. terreinvoorzieningen: 1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.
1. uitgaven aanleg sportterreinen: 10 jaar;
2. overige terreinvoorzieningen: 30 jaar.