BWBR0010529
Geldig vanaf 1999-07-01
Artikel 11
Besluit Raad voor de Transportveiligheid
1. De voorzitter van een kamer heeft de leiding van het onderzoek op de zitting.
2. De voorzitter stelt de onderzoeker die de leiding heeft over het onderzoek, in de gelegenheid het woord te voeren ter toelichting van zijn bevindingen bij het onderzoek.
3. De getuigen en deskundigen worden gehoord in een door de voorzitter te bepalen volgorde.
4. De voorzitter vraagt degenen die tijdens de zitting worden gehoord, naar naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats. Hij deelt de getuigen en deskundigen behoudens de uitzonderingssituaties, genoemd in artikel 54, eerste lid, van de wet, mede dat zij verplicht zijn de eed of belofte, bedoeld in artikel 54, eerste of tweede lid, van de wet af te leggen onderscheidenlijk te doen en getuigenis af te leggen dan wel hun diensten als deskundige te verlenen, behoudens het recht van verschoning bedoeld in artikel 54, derde of vierde lid, van de wet.
5. De voorzitter is bevoegd, indien dit door het belang van het onderzoek wordt gevorderd, de schorsing van de zitting, met of zonder tijdsbepaling van de hervatting, te gelasten. Indien de voorzitter tot schorsing besluit wordt dit met redenen omkleed ter zitting medegedeeld en in het proces-verbaal van de zitting opgenomen. Indien bij een schorsing zonder tijdsbepaling van hervatting de zitting wordt heropend op een latere dag, is artikel 50, tweede en derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
2. De voorzitter stelt de onderzoeker die de leiding heeft over het onderzoek, in de gelegenheid het woord te voeren ter toelichting van zijn bevindingen bij het onderzoek.
3. De getuigen en deskundigen worden gehoord in een door de voorzitter te bepalen volgorde.
4. De voorzitter vraagt degenen die tijdens de zitting worden gehoord, naar naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en woon- of verblijfplaats. Hij deelt de getuigen en deskundigen behoudens de uitzonderingssituaties, genoemd in artikel 54, eerste lid, van de wet, mede dat zij verplicht zijn de eed of belofte, bedoeld in artikel 54, eerste of tweede lid, van de wet af te leggen onderscheidenlijk te doen en getuigenis af te leggen dan wel hun diensten als deskundige te verlenen, behoudens het recht van verschoning bedoeld in artikel 54, derde of vierde lid, van de wet.
5. De voorzitter is bevoegd, indien dit door het belang van het onderzoek wordt gevorderd, de schorsing van de zitting, met of zonder tijdsbepaling van de hervatting, te gelasten. Indien de voorzitter tot schorsing besluit wordt dit met redenen omkleed ter zitting medegedeeld en in het proces-verbaal van de zitting opgenomen. Indien bij een schorsing zonder tijdsbepaling van hervatting de zitting wordt heropend op een latere dag, is artikel 50, tweede en derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.