BWBR0010529
Geldig vanaf 1999-07-01
Artikel 2
Besluit Raad voor de Transportveiligheid
1. De keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamers van de raad geschiedt op zodanige wijze dat in een kamer, ten aanzien van de betrokken vervoerssector, tenminste voldoende inzicht aanwezig is in aspecten betreffende het verkeersgedrag, de techniek met betrekking tot de vervoermiddelen, de infrastructuur, de operationele zaken en de nationale en internationale wet- en regelgeving.
2. De keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamer voor scheepvaartongevallen geschiedt voorts op zodanige wijze dat inzicht bestaat in aspecten betreffende zowel de zeescheepvaart als de binnenvaart.
3. De keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamer voor railwegongevallen geschiedt voorts op zodanige wijze dat inzicht bestaat in aspecten betreffende zowel railverkeer in het algemeen als buisleidingentransport.
4. Verder geschiedt de keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamers op zodanige wijze dat in een kamer ook inzicht bestaat in aspecten betreffende gedragswetenschappen, veiligheidskunde, milieukunde en onderzoeksmethodologie.
5. De keuze van de leden van de raad geschiedt op zodanige wijze dat in de raad tenminste deskundigheid aanwezig is op het gebied van bestuurlijke zaken, gedragswetenschappen, veiligheidskunde, milieukunde en onderzoeksmethodologie alsmede dat daarin voldoende inzicht aanwezig is in de gang van zaken in elk van de vervoerssectoren.
2. De keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamer voor scheepvaartongevallen geschiedt voorts op zodanige wijze dat inzicht bestaat in aspecten betreffende zowel de zeescheepvaart als de binnenvaart.
3. De keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamer voor railwegongevallen geschiedt voorts op zodanige wijze dat inzicht bestaat in aspecten betreffende zowel railverkeer in het algemeen als buisleidingentransport.
4. Verder geschiedt de keuze van de leden en plaatsvervangende leden van de kamers op zodanige wijze dat in een kamer ook inzicht bestaat in aspecten betreffende gedragswetenschappen, veiligheidskunde, milieukunde en onderzoeksmethodologie.
5. De keuze van de leden van de raad geschiedt op zodanige wijze dat in de raad tenminste deskundigheid aanwezig is op het gebied van bestuurlijke zaken, gedragswetenschappen, veiligheidskunde, milieukunde en onderzoeksmethodologie alsmede dat daarin voldoende inzicht aanwezig is in de gang van zaken in elk van de vervoerssectoren.