BWBR0009747
Geldig vanaf 1998-08-15
Artikel 8
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998
1. Degene die het opslaan van huishoudelijk afvalwater buiten een inrichting heeft beëindigd, verwijdert de betrokken ondergrondse tank of, indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd, maakt deze onklaar binnen acht weken na die beëindiging overeenkomstig bijlage VI. Zodra hij de tank heeft verwijderd of onklaar gemaakt, meldt hij dit aan het bevoegd gezag.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien degene die het opslaan heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.
2. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet indien degene die het opslaan heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.