Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
ondergrondse tank: tank, daaronder niet begrepen een septic tank, van staal of van kunststof, die geheel of gedeeltelijk in de bodem is gelegen of is ingeterpt, met de daarbij behorende leidingen en appendages;
bestaande ondergrondse tank: ondergrondse tank die is geïnstalleerd voor 1 maart 1993;
opslaan van een vloeistof in een ondergrondse tank: bewaren van een vloeistof in een ondergrondse tank, vullen van een ondergrondse tank met vloeistof, uit een ondergrondse tank betrekken van vloeistof alsmede alle handelingen die met dat bewaren, vullen of betrekken in onmiddellijk verband staan, met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen de aflevering van motorbrandstoffen;
vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie, als bedoeld in de artikelen 26en 28 van de Wet op de accijns, met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen LPG;
afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen;
procesvloeistof: vloeistof die gebruikt wordt in een fysisch of chemisch proces waarbij geen verbranding van de vloeistof plaatsvindt;
huishoudelijk afvalwater: vloeibare huishoudelijke afvalstoffen of vloeistoffen van daarmee vergelijkbare aard, waarvan het Biochemische Zuurstof Verbruik gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf dagen bij 20° C gemiddeld niet hoger is dan 1500 mg/liter;
inrichting: inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer;
verkennend onderzoek: onderzoek ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem op een wijze als aangegeven:
– in het protocol nulsituatie-bodemonderzoek Besluit opslaan in ondergrondse tanks, uitgave SDU uitgeverij, Den Haag 1995, dan wel
– in een door Onze Minister aangewezen ander protocol of normalisatienorm van het Nederlands Normalisatie-instituut met betrekking tot dat onderwerp.
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage.
ondergrondse tank: tank, daaronder niet begrepen een septic tank, van staal of van kunststof, die geheel of gedeeltelijk in de bodem is gelegen of is ingeterpt, met de daarbij behorende leidingen en appendages;
bestaande ondergrondse tank: ondergrondse tank die is geïnstalleerd voor 1 maart 1993;
opslaan van een vloeistof in een ondergrondse tank: bewaren van een vloeistof in een ondergrondse tank, vullen van een ondergrondse tank met vloeistof, uit een ondergrondse tank betrekken van vloeistof alsmede alle handelingen die met dat bewaren, vullen of betrekken in onmiddellijk verband staan, met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen de aflevering van motorbrandstoffen;
vloeibare brandstof: lichte olie, halfzware olie of gasolie, als bedoeld in de artikelen 26en 28 van de Wet op de accijns, met dien verstande dat daaronder niet wordt begrepen LPG;
afgewerkte olie: afgewerkte olie als bedoeld in het Besluit inzamelen afvalstoffen;
procesvloeistof: vloeistof die gebruikt wordt in een fysisch of chemisch proces waarbij geen verbranding van de vloeistof plaatsvindt;
huishoudelijk afvalwater: vloeibare huishoudelijke afvalstoffen of vloeistoffen van daarmee vergelijkbare aard, waarvan het Biochemische Zuurstof Verbruik gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf dagen bij 20° C gemiddeld niet hoger is dan 1500 mg/liter;
inrichting: inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer;
verkennend onderzoek: onderzoek ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem op een wijze als aangegeven:
– in het protocol nulsituatie-bodemonderzoek Besluit opslaan in ondergrondse tanks, uitgave SDU uitgeverij, Den Haag 1995, dan wel
– in een door Onze Minister aangewezen ander protocol of normalisatienorm van het Nederlands Normalisatie-instituut met betrekking tot dat onderwerp.
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage.