BWBR0009747
Geldig vanaf 1998-08-15
Artikel 13
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998
1. Degene die voornemens is het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie in een ondergrondse tank te beëindigen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag.
2. Degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie heeft beëindigd, verricht binnen acht weken na die beëindiging een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van de vloeibare brandstof onderscheidenlijk afgewerkte olie in de bodem op de plaats waar die tank was geïnstalleerd. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het vierde lid volstaan kan worden met het onklaar maken van de tank, wordt het onderzoek verricht in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende tank.
3. Van de resultaten van een verkennend onderzoek als bedoeld in het tweede lid geeft degene die het opslaan heeft beëindigd, zo spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag.
4. Degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie heeft beëindigd, verwijdert de betrokken ondergrondse tank of, indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd, maakt die onklaar binnen acht weken na de beëindiging overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II, de voorschriften 1 en 4, en de hoofdstukken III en IV.
5. De in het vierde lid bedoelde verplichting geldt niet indien degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of van afgewerkte olie heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.
2. Degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie heeft beëindigd, verricht binnen acht weken na die beëindiging een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van de vloeibare brandstof onderscheidenlijk afgewerkte olie in de bodem op de plaats waar die tank was geïnstalleerd. Artikel 12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Indien ingevolge het vierde lid volstaan kan worden met het onklaar maken van de tank, wordt het onderzoek verricht in de onmiddellijke nabijheid van de desbetreffende tank.
3. Van de resultaten van een verkennend onderzoek als bedoeld in het tweede lid geeft degene die het opslaan heeft beëindigd, zo spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag.
4. Degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of het opslaan van afgewerkte olie heeft beëindigd, verwijdert de betrokken ondergrondse tank of, indien verwijdering ervan als gevolg van de ligging van de tank redelijkerwijs niet kan worden gevergd, maakt die onklaar binnen acht weken na de beëindiging overeenkomstig bijlage VI, hoofdstuk II, de voorschriften 1 en 4, en de hoofdstukken III en IV.
5. De in het vierde lid bedoelde verplichting geldt niet indien degene die het opslaan van een vloeibare brandstof of van afgewerkte olie heeft beëindigd:
a. binnen acht weken na die beëindiging de desbetreffende ondergrondse tank weer in gebruik heeft genomen voor het opslaan van huishoudelijk afvalwater, vloeibare brandstof of afgewerkte olie, of
b. op grond van een vergunning, verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bevoegd is in de desbetreffende ondergrondse tank een andere vloeistof op te slaan.