BWBR0009747
Geldig vanaf 1998-08-15
Artikel 15
Besluit opslaan in ondergrondse tanks 1998
1. Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank, stelt door verzekering of anderszins financiële zekerheid ter dekking van de aansprakelijkheid die voortvloeit uit verontreiniging van de bodem als gevolg van dat opslaan. Deze verplichting geldt niet voor het Rijk.
2. De zekerheid bedraagt € 226 890,11 per ondergrondse tank. Bij meer dan tien ondergrondse tanks bedraagt de zekerheid in totaal € 2 268 901,08.
3. De zekerheid wordt in stand gehouden vanaf het tijdstip waarop het opslaan een aanvang neemt tot vier weken nadat een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 13, derde lid.
4. Indien bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 13, derde lid, blijkt dat de bodem met vloeibare brandstof of met afgewerkte olie is verontreinigd, wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, de financiële zekerheid in stand gehouden tot het tijdstip waarop gedeputeerde staten aan degene die opslaat, schriftelijk hebben verklaard dat de sanering van de bodem voltooid is. Degene die opslaat, kan gedeputeerde staten schriftelijk verzoeken om een verklaring als bedoeld in de eerste volzin. Gedeputeerde staten beslist op het verzoek uiterlijk vier weken nadat het is verzonden.
5. Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten die zijn aangewezen krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet bodembescherming, en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering, treden voor de toepassing van dit artikel in de plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de plaats van gedeputeerde staten, indien de in dit artikel bedoelde bevoegdheden bij algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.
6. Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank legt binnen een termijn van 4 weken nadat hij met dit opslaan is aangevangen aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het eerste en tweede lid.
8. Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank draagt er zorg voor dat de vorm van financiële zekerheid en de hoedanigheid van de garant niet wordt gewijzigd dan nadat aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het eerste en tweede lid.
2. De zekerheid bedraagt € 226 890,11 per ondergrondse tank. Bij meer dan tien ondergrondse tanks bedraagt de zekerheid in totaal € 2 268 901,08.
3. De zekerheid wordt in stand gehouden vanaf het tijdstip waarop het opslaan een aanvang neemt tot vier weken nadat een kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 13, derde lid.
4. Indien bij een kennisgeving als bedoeld in artikel 13, derde lid, blijkt dat de bodem met vloeibare brandstof of met afgewerkte olie is verontreinigd, wordt, in afwijking van het bepaalde in het derde lid, de financiële zekerheid in stand gehouden tot het tijdstip waarop gedeputeerde staten aan degene die opslaat, schriftelijk hebben verklaard dat de sanering van de bodem voltooid is. Degene die opslaat, kan gedeputeerde staten schriftelijk verzoeken om een verklaring als bedoeld in de eerste volzin. Gedeputeerde staten beslist op het verzoek uiterlijk vier weken nadat het is verzonden.
5. Burgemeester en wethouders van de gemeenten Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht, van gemeenten die zijn aangewezen krachtens artikel 88, negende lid, van de Wet bodembescherming, en een regionaal openbaar bestuur als bedoeld in de Kaderwet bestuur in verandering, treden voor de toepassing van dit artikel in de plaats van gedeputeerde staten. Een regionaal openbaar lichaam als bedoeld in de vorige volzin treedt slechts in de plaats van gedeputeerde staten, indien de in dit artikel bedoelde bevoegdheden bij algemene maatregel van bestuur zijn overgedragen.
6. Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank legt binnen een termijn van 4 weken nadat hij met dit opslaan is aangevangen aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk over, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het eerste en tweede lid.
8. Degene die een vloeibare brandstof of afgewerkte olie opslaat in een ondergrondse tank draagt er zorg voor dat de vorm van financiële zekerheid en de hoedanigheid van de garant niet wordt gewijzigd dan nadat aan het bevoegd gezag een schriftelijk bewijsstuk is overgelegd, waaruit blijkt dat voldaan wordt aan het eerste en tweede lid.