BWBR0009542
Geldig vanaf 1998-09-01
Artikel 9
Wet herstructurering varkenshouderij
1. Indien in 1996 registratie van een kennisgeving van verplaatsing met betrekking tot het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen heeft plaatsgevonden, wordt, in verband met de toepassing van <a href="/wet/BWBR0006285/artikel/9" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 9, zesde lid, van de Wet verplaatsing mestproductie</a>, het overeenkomstig artikel 6, 8of 11, tweede lid, bepaalde varkensrecht vergroot voor het bedrijf waarheen is verplaatst en verkleind tot ten minste nihil voor het bedrijf waarvan het niet-gebonden mestproductierecht afkomstig is.
2. De in het eerste lid bedoelde vergroting betreft het fokzeugenrecht en komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is vergroot, maar die volgens de in de kennisgeving van verplaatsing gedane opgave in 1996 niet meer konden worden benut, te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
3. De in het eerste lid bedoelde verkleining komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is verkleind, maar die volgens de in de kennisgeving van verplaatsing gedane opgave in 1996 nog op dat bedrijf kon worden benut, te delen door 7,4 kilogram fosfaat. De verkleining komt ten laste van het fokzeugenrecht voor zover het aantal varkenseenheden waarmee de verkleining overeenkomt groter is dan het verschil tussen het varkensrecht en het fokzeugenrecht.
4. Indien het betreft een verkleining van het overeenkomstig artikel 6bepaalde varkensrecht, blijft het derde lid buiten toepassing ten aanzien van het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de in dat lid bedoelde kilogrammen fosfaat. Dit deel komt evenwel ten hoogste overeen met het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen achtereenvolgens in mindering te brengen op het niet-gebonden mestproductierecht voor die diersoorten geldend met betrekking tot 1996 en op het grondgebonden mestproductierecht geldend met betrekking tot 1996, het aldus vastgestelde saldo van het grondgebonden mestproductierecht, zijnde ten minste nihil, te vermeerderen met het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996, en op deze som de mestproductie afkomstig van varkens in mindering te brengen. De mestproductie afkomstig van de onderscheiden diersoorten wordt overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0004054/artikel/55" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 55, negende lid, van de Meststoffenwet</a>vastgesteld op basis van het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën daarbinnen, dat met betrekking tot het bedrijf is opgegeven in de aangifte overschotheffing 1996.
5. Artikel 7, derde lid, is op de meldingen, bedoeld in het tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding, is de vergroting van het varkensrecht nihil, onderscheidenlijk worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht verkleind met het overeenkomstig het derde lid bepaalde aantal varkenseenheden.
2. De in het eerste lid bedoelde vergroting betreft het fokzeugenrecht en komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen is vergroot, maar die volgens de in de kennisgeving van verplaatsing gedane opgave in 1996 niet meer konden worden benut, te delen door 7,4 kilogram fosfaat.
3. De in het eerste lid bedoelde verkleining komt overeen met 90% van het aantal varkenseenheden dat wordt bepaald door de kilogrammen fosfaat waarmee het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen van het bedrijf is verkleind, maar die volgens de in de kennisgeving van verplaatsing gedane opgave in 1996 nog op dat bedrijf kon worden benut, te delen door 7,4 kilogram fosfaat. De verkleining komt ten laste van het fokzeugenrecht voor zover het aantal varkenseenheden waarmee de verkleining overeenkomt groter is dan het verschil tussen het varkensrecht en het fokzeugenrecht.
4. Indien het betreft een verkleining van het overeenkomstig artikel 6bepaalde varkensrecht, blijft het derde lid buiten toepassing ten aanzien van het door de belanghebbende daartoe bij wijze van melding aangegeven deel van de in dat lid bedoelde kilogrammen fosfaat. Dit deel komt evenwel ten hoogste overeen met het aantal kilogrammen fosfaat dat wordt bepaald door de mestproductie afkomstig van de in 1996 gehouden dieren van andere diersoorten dan varkens en kippen achtereenvolgens in mindering te brengen op het niet-gebonden mestproductierecht voor die diersoorten geldend met betrekking tot 1996 en op het grondgebonden mestproductierecht geldend met betrekking tot 1996, het aldus vastgestelde saldo van het grondgebonden mestproductierecht, zijnde ten minste nihil, te vermeerderen met het niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen geldend met betrekking tot 1996, en op deze som de mestproductie afkomstig van varkens in mindering te brengen. De mestproductie afkomstig van de onderscheiden diersoorten wordt overeenkomstig <a href="/wet/BWBR0004054/artikel/55" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 55, negende lid, van de Meststoffenwet</a>vastgesteld op basis van het in 1996 gemiddeld op het bedrijf gehouden aantal dieren van de onderscheiden diersoorten en diercategorieën daarbinnen, dat met betrekking tot het bedrijf is opgegeven in de aangifte overschotheffing 1996.
5. Artikel 7, derde lid, is op de meldingen, bedoeld in het tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing. Bij gebreke van een overeenkomstig artikel 7, derde lid, gedane melding, is de vergroting van het varkensrecht nihil, onderscheidenlijk worden het varkensrecht en het fokzeugenrecht verkleind met het overeenkomstig het derde lid bepaalde aantal varkenseenheden.