BWBR0007962
Geldig vanaf 1996-06-05
Artikel 4.8
Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996
1. De vergunninghouder is verplicht onverwijld aan de ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap mee te delen besluiten inhoudende bij wie opdrachten worden geplaatst voor leveringen, voor de uitvoering van werken of voor het verrichten van diensten. Deze verplichting geldt niet, ingeval de opdracht betrekking heeft op een bedrag van € 460 000 of minder.
2. De ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap kan binnen een week na ontvangst van een mededeling als bedoeld in het eerste lid verzet aantekenen tegen het desbetreffende besluit, indien dit besluit in strijd is met artikel 4.7.
3. De ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap kan de termijn van een week eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.
4. Indien de door de vergunninghouder verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beslissing omtrent het verzet, kan de ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap de vergunninghouder in de gelegenheid stellen de gegevens en bescheiden aan te vullen.
5. De termijn, bedoeld in het tweede onderscheidenlijk derde lid, wordt opgeschort met ingang van de dag, waarop de ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap de vergunninghouder uitnodigt de gegevens en bescheiden aan te vullen, tot de dag, waarop deze aanvulling is geschied.
6. Het is aan de vergunninghouder verboden uitvoering te geven aan een besluit dat ingevolge het eerste lid moet worden meegedeeld, totdat is beslist dat daartegen geen verzet wordt aangetekend dan wel de ingevolge het tweede, derde of vijfde lid geldende termijn is verstreken zonder dat verzet is aangetekend.
2. De ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap kan binnen een week na ontvangst van een mededeling als bedoeld in het eerste lid verzet aantekenen tegen het desbetreffende besluit, indien dit besluit in strijd is met artikel 4.7.
3. De ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap kan de termijn van een week eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen.
4. Indien de door de vergunninghouder verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beslissing omtrent het verzet, kan de ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap de vergunninghouder in de gelegenheid stellen de gegevens en bescheiden aan te vullen.
5. De termijn, bedoeld in het tweede onderscheidenlijk derde lid, wordt opgeschort met ingang van de dag, waarop de ingevolge artikel 4.2, eerste lid, onder a, aangewezen vennootschap de vergunninghouder uitnodigt de gegevens en bescheiden aan te vullen, tot de dag, waarop deze aanvulling is geschied.
6. Het is aan de vergunninghouder verboden uitvoering te geven aan een besluit dat ingevolge het eerste lid moet worden meegedeeld, totdat is beslist dat daartegen geen verzet wordt aangetekend dan wel de ingevolge het tweede, derde of vijfde lid geldende termijn is verstreken zonder dat verzet is aangetekend.