BWBR0007962
Geldig vanaf 1996-06-05
Artikel 3.4
Besluit vergunningen koolwaterstoffen continentaal plat 1996
1. De vergunninghouder is jaarlijks aan de staat een bedrag als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder a, van de wet(cijns) verschuldigd, bestaande uit een percentage van de totale waarde van alle aardolie, welke met gebruikmaking van de vergunning is gewonnen en in het voorafgaande kalenderjaar uit het vergunningsgebied is afgevoerd.
2. Het in het eerste lid bedoelde percentage wordt vastgesteld op de grondslag van de volgende schaal:
[tabel]
3. Indien in een kalenderjaar het gewogen gemiddelde van de waarde van in Nederland ingevoerde ruwe olie zoals weergegeven door het Internationaal Energie Agentschap in zijn publikatie «Energy prices and taxes» over het betrokken jaar lager is dan US $ 23 per vat, geldt, in afwijking in zoverre van het tweede lid, bij een jaarlijkse afvoer van niet meer dan 800 000 m 3als cijnspercentage: 0.
4. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 3.5, 3.6, 3.10, 3.11en 3.12wordt onder aardolie tevens begrepen condensaat.
2. Het in het eerste lid bedoelde percentage wordt vastgesteld op de grondslag van de volgende schaal:
[tabel]
3. Indien in een kalenderjaar het gewogen gemiddelde van de waarde van in Nederland ingevoerde ruwe olie zoals weergegeven door het Internationaal Energie Agentschap in zijn publikatie «Energy prices and taxes» over het betrokken jaar lager is dan US $ 23 per vat, geldt, in afwijking in zoverre van het tweede lid, bij een jaarlijkse afvoer van niet meer dan 800 000 m 3als cijnspercentage: 0.
4. Voor de toepassing van dit artikel en de artikelen 3.5, 3.6, 3.10, 3.11en 3.12wordt onder aardolie tevens begrepen condensaat.