BWBR0007961
Geldig vanaf 1996-04-04
Artikel 9
Regeling 'Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer'
1. Gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders stellen conform de eisen, als bedoeld in artikel 11, een programma van projecten voor o.v-infrastructuur op en leggen dit programma van projecten ter goedkeuring aan de minister voor.
2. Alvorens toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid plegen gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders overleg met de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen en wegbeheerders, alsmede met vervoerbedrijven die in het gebied openbaar vervoer verrichten, omtrent hun wensen over het programma van projecten.
3. Om zich te overtuigen van de kwaliteit van de programma’s kunnen gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders een onafhankelijke derde deskundige zijn oordeel laten geven over de kwalitatieve aspecten van hun programma, waaronder in ieder geval de onderling meest effectieve samenhang van projecten en de afstemming met de doel-uitkering, als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds.
4. Een programma kan direct na het inwerking treden van deze regeling worden ingediend, waarbij als uiterste termijn 1 oktober 1996 dient te worden aangehouden.
5. Een beslissing over het programma van projecten vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 12 weken na ontvangst van het programma, plaats.
6. De indiening dient te geschieden overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2.
2. Alvorens toepassing te geven aan het bepaalde in het eerste lid plegen gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders overleg met de betrokken publiekrechtelijke rechtspersonen en wegbeheerders, alsmede met vervoerbedrijven die in het gebied openbaar vervoer verrichten, omtrent hun wensen over het programma van projecten.
3. Om zich te overtuigen van de kwaliteit van de programma’s kunnen gedeputeerde staten, het dagelijkse bestuur en burgemeester en wethouders een onafhankelijke derde deskundige zijn oordeel laten geven over de kwalitatieve aspecten van hun programma, waaronder in ieder geval de onderling meest effectieve samenhang van projecten en de afstemming met de doel-uitkering, als bedoeld in het Besluit Infrastructuurfonds.
4. Een programma kan direct na het inwerking treden van deze regeling worden ingediend, waarbij als uiterste termijn 1 oktober 1996 dient te worden aangehouden.
5. Een beslissing over het programma van projecten vindt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 12 weken na ontvangst van het programma, plaats.
6. De indiening dient te geschieden overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage 2.