BWBR0007961
Geldig vanaf 1996-04-04
Artikel 11
Regeling 'Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer'
1. De ingediende programma’s van projecten, als bedoeld in artikel 9, worden goedgekeurd, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a. de investeringen hebben betrekking op infrastructuur en zijn gericht op dan wel hangen samen met snelheidsbevorderende maatregelen;
b. de projecten hebben betrekking op een bestaande openbaar vervoer relatie;
c. de maatregelen moeten een aantoonbaar effect op de doorstroming van het openbaar vervoer hebben;
d. de projecten moeten na 1 januari 1996 in gebruik worden genomen; en
e. voor 1 januari 2002 wordt door de wegbeheerder de verplichting tot betaling voor de uitvoering van de werkzaamheden van het project aangegaan.
2. De minister kan een aanwijzing geven over de uiterste datum waarop het project in gebruik dient te zijn genomen.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, kan de minister bij een wijziging op het programma van projecten een project goedkeuren, dat geen betrekking heeft op een investering in infrastructuur, indien het project betrekking heeft op een investering in een voorziening die een alternatief biedt voor een investering in infrastructuur als bedoeld in deze regeling,
en het alternatief:
a. een lagere investering vergt dan de investering in de infrastructuur; of
b. meer effect op de snelheid of de doorstroming van het openbaar vervoer sorteert dan eenzelfde investering in de infrastructuur.
a. de investeringen hebben betrekking op infrastructuur en zijn gericht op dan wel hangen samen met snelheidsbevorderende maatregelen;
b. de projecten hebben betrekking op een bestaande openbaar vervoer relatie;
c. de maatregelen moeten een aantoonbaar effect op de doorstroming van het openbaar vervoer hebben;
d. de projecten moeten na 1 januari 1996 in gebruik worden genomen; en
e. voor 1 januari 2002 wordt door de wegbeheerder de verplichting tot betaling voor de uitvoering van de werkzaamheden van het project aangegaan.
2. De minister kan een aanwijzing geven over de uiterste datum waarop het project in gebruik dient te zijn genomen.
3. In afwijking van het eerste lid, onder a, kan de minister bij een wijziging op het programma van projecten een project goedkeuren, dat geen betrekking heeft op een investering in infrastructuur, indien het project betrekking heeft op een investering in een voorziening die een alternatief biedt voor een investering in infrastructuur als bedoeld in deze regeling,
en het alternatief:
a. een lagere investering vergt dan de investering in de infrastructuur; of
b. meer effect op de snelheid of de doorstroming van het openbaar vervoer sorteert dan eenzelfde investering in de infrastructuur.