BWBR0007961
Geldig vanaf 1996-04-04
Artikel 5
Regeling 'Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer'
1. De maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, wordt jaarlijks voor de ontwikkeling van kosten op basis van de IMOC aangepast. De aanpassing geschiedt over dat gedeelte van de maximale bijdrage dat nog niet op grond van artikel 7betaalbaar zal worden gesteld. Bij de aanpassing zal rekening worden gehouden met de nog te verrichten betalingen tot en met 31 december van het lopende jaar.
2. Uiterlijk 31 december van elk jaar stelt de Minister de provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten in kennis van de aanpassing van de maximale bijdrage.
3. Provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten kunnen na onderling overleg voorstellen de maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderling her te verdelen. De minister kan op basis van dit voorstel de verleende maximale bijdrage wijzigen.
4. Indien uit de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, voor het jaar 1997 kan worden afgeleid, dat, gelet op de verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onvoldoende projecten zijn aangemeld, dan kan de verleende maximale bijdrage met het niet aan te wenden deel worden verminderd.
5. Indien uit de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, voor het jaar 2000 kan worden afgeleid, dat, gelet op de verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste liden zonodig gewijzigd op basis van het derde lid, onvoldoende projecten in uitvoering zijn genomen, dan wordt de verleende maximale bijdrage met het niet aan te wenden deel verminderd.
6. Ingeval toepassing wordt gegeven aan het vierde of het vijfde lid kan tevens de aan een provincie, regionaal openbaar lichaam of een gemeente verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, worden verhoogd.
Aan deze verhoging kunnen voorschriften worden verbonden.
7. Alvorens toepassing te geven aan het vierde of vijfde lid stelt de minister gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur dan wel burgemeester en wethouders in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken.
2. Uiterlijk 31 december van elk jaar stelt de Minister de provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten in kennis van de aanpassing van de maximale bijdrage.
3. Provincies, regionaal openbare lichamen en gemeenten kunnen na onderling overleg voorstellen de maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderling her te verdelen. De minister kan op basis van dit voorstel de verleende maximale bijdrage wijzigen.
4. Indien uit de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, voor het jaar 1997 kan worden afgeleid, dat, gelet op de verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onvoldoende projecten zijn aangemeld, dan kan de verleende maximale bijdrage met het niet aan te wenden deel worden verminderd.
5. Indien uit de voortgangsrapportage, als bedoeld in artikel 13, voor het jaar 2000 kan worden afgeleid, dat, gelet op de verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, eerste liden zonodig gewijzigd op basis van het derde lid, onvoldoende projecten in uitvoering zijn genomen, dan wordt de verleende maximale bijdrage met het niet aan te wenden deel verminderd.
6. Ingeval toepassing wordt gegeven aan het vierde of het vijfde lid kan tevens de aan een provincie, regionaal openbaar lichaam of een gemeente verleende maximale bijdrage, als bedoeld in artikel 4, worden verhoogd.
Aan deze verhoging kunnen voorschriften worden verbonden.
7. Alvorens toepassing te geven aan het vierde of vijfde lid stelt de minister gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur dan wel burgemeester en wethouders in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken.