BWBR0007080
Geldig vanaf 1995-12-14
Artikel 31
Warenwetregeling Hygiëne van levensmiddelen
1. Vertegenwoordigers van daarvoor in aanmerking komende sectoren van de levensmiddelenindustrie kunnen hygiënecodes opstellen waarin beschreven is op welke wijze bepaalde eet- of drinkwaren op zodanig hygiënische wijze bereid, verwerkt, behandeld, verpakt, vervoerd, gedistribueerd of verhandeld kunnen worden dat ter zake voldaan kan worden aan:
a. artikel 2 tot en met artikel 4;
b. artikel 6 tot en met artikel 12;
c. artikel 14 tot en met artikel 30;
d. artikel 33;
e. artikel 34;
f. artikel 34b, tweede lid;
g. artikel 35 tot en met artikel 37; of
h. artikel 39;
van deze regeling.
2. De in het eerste lid bedoelde hygiënecodes kunnen worden opgesteld met inachtneming van de Aanbevolen Internationale Richtlijnen voor de Praktijk – Grondbeginselen van de levensmiddelenhygiëne, van de Codex Alimentarius.
3. De in het eerste lid bedoelde hygiënecodes worden op initiatief van de opstellers ervan:
a. besproken in een overleg tussen vertegenwoordigers van: organisaties van ondernemers (industrie en handel);
organisaties van consumenten;
de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken;
de Voedsel en Waren Autoriteit; en
het relevante bedrijfschap of productschap; en
organisaties van ondernemers (industrie en handel);
organisaties van consumenten;
de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken;
de Voedsel en Waren Autoriteit; en
het relevante bedrijfschap of productschap; en
b. vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf wordt bij controle door een met het toezicht op de naleving van deze regeling belaste ambtenaar, vóóraf door die ambtenaar in de gelegenheid gesteld te kennen te geven of door dat bedrijf gebruik wordt gemaakt van de voor zijn sector van de levensmiddelenindustrie vastgestelde en goedgekeurde hygiënecode, bedoeld in het derde lid.
5. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf dat gebruik maakt van de hygiënecode, bedoeld in het vierde lid:
a. voldoet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben;
b. voldoet niet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij niet handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben.
6. Een in dit artikel bedoelde goedkeuring kan, voor zover die goedkeuring betrekking heeft op een in artikel 30omschreven onderwerp, door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden ingetrokken indien:
a. de desbetreffende hygiënecode niet waar mogelijk en zinvol is voorzien van microbiologische richtwaarden, bedoeld in paragraaf III van de Mededeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 februari 1999/GZB/VVB/99551, Stcrt. 35; of
b. de desbetreffende hygiënecode herzien dient te worden overeenkomstig artikel 30, derde lid.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport neemt een besluit, gehoord het schriftelijk advies van de Voedsel en Waren Autoriteit.
a. artikel 2 tot en met artikel 4;
b. artikel 6 tot en met artikel 12;
c. artikel 14 tot en met artikel 30;
d. artikel 33;
e. artikel 34;
f. artikel 34b, tweede lid;
g. artikel 35 tot en met artikel 37; of
h. artikel 39;
van deze regeling.
2. De in het eerste lid bedoelde hygiënecodes kunnen worden opgesteld met inachtneming van de Aanbevolen Internationale Richtlijnen voor de Praktijk – Grondbeginselen van de levensmiddelenhygiëne, van de Codex Alimentarius.
3. De in het eerste lid bedoelde hygiënecodes worden op initiatief van de opstellers ervan:
a. besproken in een overleg tussen vertegenwoordigers van: organisaties van ondernemers (industrie en handel);
organisaties van consumenten;
de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken;
de Voedsel en Waren Autoriteit; en
het relevante bedrijfschap of productschap; en
organisaties van ondernemers (industrie en handel);
organisaties van consumenten;
de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, en van Economische Zaken;
de Voedsel en Waren Autoriteit; en
het relevante bedrijfschap of productschap; en
b. vervolgens ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
4. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf wordt bij controle door een met het toezicht op de naleving van deze regeling belaste ambtenaar, vóóraf door die ambtenaar in de gelegenheid gesteld te kennen te geven of door dat bedrijf gebruik wordt gemaakt van de voor zijn sector van de levensmiddelenindustrie vastgestelde en goedgekeurde hygiënecode, bedoeld in het derde lid.
5. De exploitant van een levensmiddelenbedrijf dat gebruik maakt van de hygiënecode, bedoeld in het vierde lid:
a. voldoet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben;
b. voldoet niet aan de desbetreffende bepaling(en) in het eerste lid indien hij niet handelt volgens de voorschriften in die hygiënecode die daarop betrekking hebben.
6. Een in dit artikel bedoelde goedkeuring kan, voor zover die goedkeuring betrekking heeft op een in artikel 30omschreven onderwerp, door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden ingetrokken indien:
a. de desbetreffende hygiënecode niet waar mogelijk en zinvol is voorzien van microbiologische richtwaarden, bedoeld in paragraaf III van de Mededeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 16 februari 1999/GZB/VVB/99551, Stcrt. 35; of
b. de desbetreffende hygiënecode herzien dient te worden overeenkomstig artikel 30, derde lid.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport neemt een besluit, gehoord het schriftelijk advies van de Voedsel en Waren Autoriteit.