BWBR0005843
Geldig vanaf 1993-03-04
Artikel 6
Begrotings- en jaarrekeningsmodel 1992
1. Op de tot de jaarrekening van een waterschap behorende balans moet onderscheid worden gemaakt in activa en passiva.
2. Daarbij moeten de activa worden onderscheiden in achtereenvolgens vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van het waterschap al of niet duurzaam te dienen.
3. Onder de vaste activa moeten achtereenvolgens afzonderlijk worden opgenomen: de immateriële vaste activa, de materiële vaste activa en de financiële vaste activa.
4. Onder de vlottende activa moeten achtereenvolgens afzonderlijk worden vermeld: de voorraden, de vorderingen en overlopende activa, de effecten en de liquide middelen.
5. De passiva moeten worden onderscheiden in achtereenvolgens: het eigen vermogen, de voorzieningen, de langlopende schulden en de kortlopende schulden en overlopende passiva.
6. Het eigen vermogen moet worden onderverdeeld in achtereenvolgens de algemene reserves, de bestemmingsreserves en de herwaarderingsreserves.
7. Voor de wijze waarop de in dit artikel vermelde begrippen moeten worden geïnterpreteerd, gelden de in bijlage III van deze regeling opgenomen omschrijvingen.
8. Op de balans moet naast de omvang van de posten aan het einde van het begrotingsjaar ook de omvang van de posten volgens de vorige balans worden vermeld.
2. Daarbij moeten de activa worden onderscheiden in achtereenvolgens vaste en vlottende activa, al naar gelang zij zijn bestemd om de uitoefening van de werkzaamheid van het waterschap al of niet duurzaam te dienen.
3. Onder de vaste activa moeten achtereenvolgens afzonderlijk worden opgenomen: de immateriële vaste activa, de materiële vaste activa en de financiële vaste activa.
4. Onder de vlottende activa moeten achtereenvolgens afzonderlijk worden vermeld: de voorraden, de vorderingen en overlopende activa, de effecten en de liquide middelen.
5. De passiva moeten worden onderscheiden in achtereenvolgens: het eigen vermogen, de voorzieningen, de langlopende schulden en de kortlopende schulden en overlopende passiva.
6. Het eigen vermogen moet worden onderverdeeld in achtereenvolgens de algemene reserves, de bestemmingsreserves en de herwaarderingsreserves.
7. Voor de wijze waarop de in dit artikel vermelde begrippen moeten worden geïnterpreteerd, gelden de in bijlage III van deze regeling opgenomen omschrijvingen.
8. Op de balans moet naast de omvang van de posten aan het einde van het begrotingsjaar ook de omvang van de posten volgens de vorige balans worden vermeld.