BWBR0005843
Geldig vanaf 1993-03-04
Artikel 26
Begrotings- en jaarrekeningsmodel 1992
1. Op de staat van vaste schulden moet ten aanzien van de langlopende schulden onderscheid gemaakt worden in:
a. obligatieleningen;
b. andere geldleningen;
c. langlopende lease-verplichtingen;
d. bij het waterschap gestorte waarborgsommen.
2. De in het eerste lid bedoelde geldleningen moeten nader worden onderscheiden in de volgende groepen van geldgevers:
a. andere waterschappen;
b. gemeenten;
c. het Rijk;
d. financiële instellingen;
e. overigen.
3. Op de staat van vaste schulden moet voor elk van de in het eerste lid onderscheiden soorten van langlopende schulden en voor elk van de in het tweede lid genoemde categorieën van geldgevers worden vermeld:
a. de restant-boekwaarde aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar;
b. de belangrijkste mutaties die zich in het begrotingsjaar zullen voordoen c.q. hebben voorgedaan;
c. de aflossingsverplichting in het volgende begrotingsjaar;
d. het rentebedrag dat ten laste van het begrotingsjaar wordt c.q. is gebracht;
e. de gemiddelde rentevoet en restantlooptijd, die beide als een gewogen gemiddelde moeten worden berekend.
4. De in het derde lid onder b bedoelde mutaties moeten op de staat van vaste schulden worden onderscheiden in vermeerderingen en verminderingen.
5. De in het vierde lid bedoelde verminderingen moeten nader worden onderscheiden in gewone aflossingen en extra aflossingen.
a. obligatieleningen;
b. andere geldleningen;
c. langlopende lease-verplichtingen;
d. bij het waterschap gestorte waarborgsommen.
2. De in het eerste lid bedoelde geldleningen moeten nader worden onderscheiden in de volgende groepen van geldgevers:
a. andere waterschappen;
b. gemeenten;
c. het Rijk;
d. financiële instellingen;
e. overigen.
3. Op de staat van vaste schulden moet voor elk van de in het eerste lid onderscheiden soorten van langlopende schulden en voor elk van de in het tweede lid genoemde categorieën van geldgevers worden vermeld:
a. de restant-boekwaarde aan het begin en aan het einde van het begrotingsjaar;
b. de belangrijkste mutaties die zich in het begrotingsjaar zullen voordoen c.q. hebben voorgedaan;
c. de aflossingsverplichting in het volgende begrotingsjaar;
d. het rentebedrag dat ten laste van het begrotingsjaar wordt c.q. is gebracht;
e. de gemiddelde rentevoet en restantlooptijd, die beide als een gewogen gemiddelde moeten worden berekend.
4. De in het derde lid onder b bedoelde mutaties moeten op de staat van vaste schulden worden onderscheiden in vermeerderingen en verminderingen.
5. De in het vierde lid bedoelde verminderingen moeten nader worden onderscheiden in gewone aflossingen en extra aflossingen.