BWBR0004943
Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 5
Regeling Veerponten
1. Aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit wordt geacht te zijn voldaan, wanneer daaruit blijkt dat de slagzij van het schip in de beladingstoestanden als bedoeld in artikel 6en onder gelijktijdige invloed van de in artikel 7bedoelde kenterende momenten niet meer dan 12 bedraagt.
2. De gelijktijdig door de dwarsscheepse verplaatsing van personen en door de belading met voertuigen veroorzaakte slagzij mag daarbij niet meer dan 10 bedragen.
3. Bij de in het eerste lid bedoelde slagzij moeten een resterend vrijboord en een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 10aanwezig zijn.
4. Voor veerponten die zijn gebouwd of bestemd voor het vervoer van uitsluitend personen met inbegrip van voertuigen op twee wielen, met een lengt Lwl van ten hoogste 25 m kan voldoende stabiliteit in plaats van door het rekenkundig bewijs worden aangetoond door een stabiliteitsproef als bedoeld in artikel 4.01 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit.
5. De in artikel 4.01, vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluitbedoelde criteria voor het resterend vrijboord en de resterende veiligheidsafstand zijn van toepassing op veerponten in de zones 3 en 4. Bij veerponten in de zone 2 mogen het daar bedoelde resterend vrijboord en de daar bedoelde resterende veiligheidsafstand niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 Bwl + 0,25 m en 0,05 Bwl + 0,15 m.
2. De gelijktijdig door de dwarsscheepse verplaatsing van personen en door de belading met voertuigen veroorzaakte slagzij mag daarbij niet meer dan 10 bedragen.
3. Bij de in het eerste lid bedoelde slagzij moeten een resterend vrijboord en een resterende veiligheidsafstand als bedoeld in artikel 10aanwezig zijn.
4. Voor veerponten die zijn gebouwd of bestemd voor het vervoer van uitsluitend personen met inbegrip van voertuigen op twee wielen, met een lengt Lwl van ten hoogste 25 m kan voldoende stabiliteit in plaats van door het rekenkundig bewijs worden aangetoond door een stabiliteitsproef als bedoeld in artikel 4.01 van bijlage III van het Binnenschepenbesluit.
5. De in artikel 4.01, vierde lid, van bijlage III van het Binnenschepenbesluitbedoelde criteria voor het resterend vrijboord en de resterende veiligheidsafstand zijn van toepassing op veerponten in de zones 3 en 4. Bij veerponten in de zone 2 mogen het daar bedoelde resterend vrijboord en de daar bedoelde resterende veiligheidsafstand niet kleiner zijn dan respectievelijk 0,05 Bwl + 0,25 m en 0,05 Bwl + 0,15 m.