BWBR0004943
Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 11
Regeling Veerponten
1. Het vrijboord moet tenminste gelijk zijn aan de som van:
a. de inzinking, die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en
b. het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 10.
Het vrijboord moet voor veerponten in de zones 3 en 4 evenwel tenminste 0,30 m bedragen. Voor veerponten in de zone 2 moet het vrijboord tenminste 0,40 m bedragen.
2. De veiligheidsafstand moet tenminste gelijk zijn aan de som van:
a. de inzinking die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en
b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 10.
3. De veiligheidsafstand mag evenwel niet minder bedragen dan:
a. tot openingen die niet waterdicht afsluitbaar zijn: in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,30 m
in zone 4: 0,30 m;
in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,30 m
in zone 4: 0,30 m;
b. tot de onderzijde van patrijspoorten en ramen die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend: in zone 2: 0,30 m
in zone 3: 0,25 m
in zone 4: 0,20 m;
in zone 2: 0,30 m
in zone 3: 0,25 m
in zone 4: 0,20 m;
c. voor open veerponten zonder schottendek, tot het laagste punt van de bovenkant van het boord: in zone 2: 0,80 m
in zone 3: 0,50 m
in zone 4: 0,40 m;
in zone 2: 0,80 m
in zone 3: 0,50 m
in zone 4: 0,40 m;
d. voor onzinkbare open veerponten van het type landingsvaartuig ter plaatse van de klep, mits deze in gesloten toestand langs de staande kanten en de onderkant waterdicht afsluitbaar is: in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,40 m
in zone 4: 0,30 m.
in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,40 m
in zone 4: 0,30 m.
a. de inzinking, die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en
b. het resterend vrijboord als bedoeld in artikel 10.
Het vrijboord moet voor veerponten in de zones 3 en 4 evenwel tenminste 0,30 m bedragen. Voor veerponten in de zone 2 moet het vrijboord tenminste 0,40 m bedragen.
2. De veiligheidsafstand moet tenminste gelijk zijn aan de som van:
a. de inzinking die door de volgens de artikelen 5, 6 en 7 berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en
b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 10.
3. De veiligheidsafstand mag evenwel niet minder bedragen dan:
a. tot openingen die niet waterdicht afsluitbaar zijn: in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,30 m
in zone 4: 0,30 m;
in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,30 m
in zone 4: 0,30 m;
b. tot de onderzijde van patrijspoorten en ramen die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend: in zone 2: 0,30 m
in zone 3: 0,25 m
in zone 4: 0,20 m;
in zone 2: 0,30 m
in zone 3: 0,25 m
in zone 4: 0,20 m;
c. voor open veerponten zonder schottendek, tot het laagste punt van de bovenkant van het boord: in zone 2: 0,80 m
in zone 3: 0,50 m
in zone 4: 0,40 m;
in zone 2: 0,80 m
in zone 3: 0,50 m
in zone 4: 0,40 m;
d. voor onzinkbare open veerponten van het type landingsvaartuig ter plaatse van de klep, mits deze in gesloten toestand langs de staande kanten en de onderkant waterdicht afsluitbaar is: in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,40 m
in zone 4: 0,30 m.
in zone 2: 0,60 m
in zone 3: 0,40 m
in zone 4: 0,30 m.