BWBR0004943
Geldig vanaf 1991-01-01
Artikel 14
Regeling Veerponten
1. De voor passagiers toegankelijke dekken, landgangen en de rijdekken moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat zij een gelijkmatige belasting van tenminste 4000 N/m² kunnen dragen.
2. De voor voertuigen bestemde dekken, laadkleppen en dergelijke moeten bovendien worden berekend voor de maximaal toegelaten asbelastingen en wieldrukken.
3. De toelaatbare spanningen in de constructie moeten worden berekend in overeenstemming met de voorschriften van een erkend onderzoekingsbureau.
4. Niet-vrijvarende veerponten moeten zodanig zijn gebouwd en ingericht dat de veiligheid van de vaart is gewaarborgd. Zij moeten op veilige wijze onmiddellijk tot stoppen gebracht kunnen worden.
De kabels, trommels, overbrengingen en dergelijke voorzieningen moeten zodanig zijn geplaatst en afgeschermd dat zij geen gevaar voor de passagiers en de bemanning vormen.
5. Open dekken moeten van voldoende spuimogelijkheden zijn voorzien teneinde overkomend water en hemelwater snel te kunnen afvoeren.
6. a. De dekken die zijn bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen moeten tenminste een beschikbare breedte b in mm hebben volgens onderstaande formules:
bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 0 tot 450 mm:
b = r . n + 500
b gemeten tussen de wanden, verschansingen of hekwerken,
bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 450 mm of meer: b = r . (n - 2) + 2 . s b gemeten tussen de opstaande randen van de voetpaden (stoepen, trottoirs), met dien verstande dat b voor slechts een enkele opstelstrook tussen de openstaande randen 5 mm bedraagt.
In deze formules betekent:
n: het aantal opstelstroken,
r: breedte opstelstrook voor personenauto's 2150 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 3050 mm,
s: breedte opstelstrook voor personenauto's 1950 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 2850 mm.
De maten r en s gelden voor een hoogte vanaf het rijdek van 2000 mm voor personenauto's en 3000 mm voor vrachtauto's, bussen e.d.
a. Indien op de voor voertuigen bestemde dekken markeringsstrepen worden aangebracht, moeten deze zijn aangebracht volgens de regelen onder c.
b. Indien een dek meer dan twee gemarkeerde opstelstroken heeft moeten de markeringsstrepen van de buitenste opstelstroken zich op een afstand van tenminste 2400 mm voor personenauto's en 3300 mm voor vrachtauto's, bussen e.d. van een wand, verschansing of hekwerk bevinden. Bij aanwezigheid van een verhoogd voetpad (stoep, trottoir) moet echter tevens de afstand van de markeringsstreep tot de opstaande rand tenminste 1950 respectievelijk 2850 mm bedragen. De breedte van de opstelstroken wordt gemeten op het hart van de markeringsstrepen. Mits de markeringsstrepen zich duidelijk onderscheiden, zijn verschillende indelingen voor personenauto's en vrachtauto's, bussen e.d. mogelijk.
c. Op plaatsen waar door aanwezige constructies niet kan worden voldaan aan de onder a bedoelde minst vereiste breedte geldt een opstelverbod. Dit moet door markeringen op het dek zijn aangegeven.
7. De maximum toelaatbare asbelasting en wieldruk moet goed zichtbaar op een geschikte plaats zijn aangegeven behoudens het geval dat het dek geconstrueerd is voor alle volgens het Wegenverkeersreglement toegestane voertuigen.
2. De voor voertuigen bestemde dekken, laadkleppen en dergelijke moeten bovendien worden berekend voor de maximaal toegelaten asbelastingen en wieldrukken.
3. De toelaatbare spanningen in de constructie moeten worden berekend in overeenstemming met de voorschriften van een erkend onderzoekingsbureau.
4. Niet-vrijvarende veerponten moeten zodanig zijn gebouwd en ingericht dat de veiligheid van de vaart is gewaarborgd. Zij moeten op veilige wijze onmiddellijk tot stoppen gebracht kunnen worden.
De kabels, trommels, overbrengingen en dergelijke voorzieningen moeten zodanig zijn geplaatst en afgeschermd dat zij geen gevaar voor de passagiers en de bemanning vormen.
5. Open dekken moeten van voldoende spuimogelijkheden zijn voorzien teneinde overkomend water en hemelwater snel te kunnen afvoeren.
6. a. De dekken die zijn bestemd voor voertuigen op meer dan twee wielen moeten tenminste een beschikbare breedte b in mm hebben volgens onderstaande formules:
bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 0 tot 450 mm:
b = r . n + 500
b gemeten tussen de wanden, verschansingen of hekwerken,
bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 450 mm of meer: b = r . (n - 2) + 2 . s b gemeten tussen de opstaande randen van de voetpaden (stoepen, trottoirs), met dien verstande dat b voor slechts een enkele opstelstrook tussen de openstaande randen 5 mm bedraagt.
In deze formules betekent:
n: het aantal opstelstroken,
r: breedte opstelstrook voor personenauto's 2150 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 3050 mm,
s: breedte opstelstrook voor personenauto's 1950 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 2850 mm.
De maten r en s gelden voor een hoogte vanaf het rijdek van 2000 mm voor personenauto's en 3000 mm voor vrachtauto's, bussen e.d.
a. Indien op de voor voertuigen bestemde dekken markeringsstrepen worden aangebracht, moeten deze zijn aangebracht volgens de regelen onder c.
b. Indien een dek meer dan twee gemarkeerde opstelstroken heeft moeten de markeringsstrepen van de buitenste opstelstroken zich op een afstand van tenminste 2400 mm voor personenauto's en 3300 mm voor vrachtauto's, bussen e.d. van een wand, verschansing of hekwerk bevinden. Bij aanwezigheid van een verhoogd voetpad (stoep, trottoir) moet echter tevens de afstand van de markeringsstreep tot de opstaande rand tenminste 1950 respectievelijk 2850 mm bedragen. De breedte van de opstelstroken wordt gemeten op het hart van de markeringsstrepen. Mits de markeringsstrepen zich duidelijk onderscheiden, zijn verschillende indelingen voor personenauto's en vrachtauto's, bussen e.d. mogelijk.
c. Op plaatsen waar door aanwezige constructies niet kan worden voldaan aan de onder a bedoelde minst vereiste breedte geldt een opstelverbod. Dit moet door markeringen op het dek zijn aangegeven.
7. De maximum toelaatbare asbelasting en wieldruk moet goed zichtbaar op een geschikte plaats zijn aangegeven behoudens het geval dat het dek geconstrueerd is voor alle volgens het Wegenverkeersreglement toegestane voertuigen.