BWBR0004907
Geldig vanaf 1990-12-13
Artikel 4
Examenbesluit Wet op de architectentitel
1. Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een architectonisch ontwerp, dat moet voldoen aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de architectuur, aanverwante kunstvormen en menswetenschappen, evenals van de maatschappelijke en culturele stromingen, voor zover die van belang zijn voor het vakgebied van de architectonische vormgeving;
b. passende kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van belang zijn voor de kwaliteit van de architectonische vormgeving, en
c. inzicht in het architectenberoep en in de rol van de architect in de maatschappij, in het bijzonder bij het vervaardigen van architectonische ontwerpen waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3. Aan de hand van het vervaardigde architectonisch ontwerp onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 3, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek en voorbereiding van een architectonisch ontwerp;
b. passende kennis van de natuurkundige en technologische vraagstukken en de milieuvraagstukken, alsmede van de functie van een gebouw met het oog op het verschaffen van comfort en bescherming tegen weersomstandigheden;
c. passende kennis van stedebouw, planologie en de daarbij gebruikte technieken;
d. inzicht in de problemen op het gebied van het constructief ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het ontwerpen van gebouwen;
e. technische bekwaamheid als ontwerper, ten einde binnen de door begrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen en met inachtneming van de zorg voor het bereiken en behouden van een toereikende kwaliteit van het milieu te kunnen voldoen aan de eisen van gebruikers van het betrokken gebouw;
f. passende kennis van de bedrijfstakken, organisaties en procedures die een rol spelen bij het omzetten van ontwerpen in bouwwerken en bij het inpassen van plannen in de planologie;
g. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een architectonisch ontwerp inzichtelijk te maken voor anderen, en
h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een architectonisch ontwerp.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de architectuur, aanverwante kunstvormen en menswetenschappen, evenals van de maatschappelijke en culturele stromingen, voor zover die van belang zijn voor het vakgebied van de architectonische vormgeving;
b. passende kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van belang zijn voor de kwaliteit van de architectonische vormgeving, en
c. inzicht in het architectenberoep en in de rol van de architect in de maatschappij, in het bijzonder bij het vervaardigen van architectonische ontwerpen waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3. Aan de hand van het vervaardigde architectonisch ontwerp onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 3, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek en voorbereiding van een architectonisch ontwerp;
b. passende kennis van de natuurkundige en technologische vraagstukken en de milieuvraagstukken, alsmede van de functie van een gebouw met het oog op het verschaffen van comfort en bescherming tegen weersomstandigheden;
c. passende kennis van stedebouw, planologie en de daarbij gebruikte technieken;
d. inzicht in de problemen op het gebied van het constructief ontwerp, de constructie en de civiele bouwkunde in verband met het ontwerpen van gebouwen;
e. technische bekwaamheid als ontwerper, ten einde binnen de door begrotingsfactoren en bouwvoorschriften gestelde grenzen en met inachtneming van de zorg voor het bereiken en behouden van een toereikende kwaliteit van het milieu te kunnen voldoen aan de eisen van gebruikers van het betrokken gebouw;
f. passende kennis van de bedrijfstakken, organisaties en procedures die een rol spelen bij het omzetten van ontwerpen in bouwwerken en bij het inpassen van plannen in de planologie;
g. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een architectonisch ontwerp inzichtelijk te maken voor anderen, en
h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een architectonisch ontwerp.