BWBR0004907
Geldig vanaf 1990-12-13
Artikel 25
Examenbesluit Wet op de architectentitel
1. Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een ontwerp met een daarbij behorende toelichting, dat moet voldoen aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van en inzicht in het temporele aspect van het ruimtelijk milieu, en
b. passende kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie van de landschapsarchitectuur in samenhang met aanverwante kunstvormen.
3. Aan de hand van het vervaardigde ontwerp met de daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 24, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. vaardigheid in het hanteren van de natuurlijke component van het ruimtelijk milieu;
b. passende kennis van en inzicht in het geheel van fysisch-biotische verschijnselen en antropogene processen, dat ten grondslag ligt aan en samenhangt met het fenomeen landschap;
c. passende kennis van en inzicht in de effecten die optreden bij transformaties van het natuurlijk en ruimtelijk milieu;
d. passende kennis van en inzicht in menselijke en intermenselijke activiteiten in samenhang met het ruimtelijk milieu;
e. passende kennis van en inzicht in het planningsproces in zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse, doelformulering en programmering, ruimtelijke planvorming, en evaluatie;
f. passende kennis van, inzicht in en vaardigheid met betrekking tot "taal" in de uitgebreide zin des woords, dat wil zeggen het kennen en kunnen gebruiken van woorden, tekens, beelden, vormen en symbolen ten dienste van het overdragen van ideeën en van de vormgeving van het ruimtelijk milieu, en
g. passende kennis van en inzicht in de technieken om ontwerpen te doen concretiseren.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van en inzicht in het temporele aspect van het ruimtelijk milieu, en
b. passende kennis van en inzicht in de geschiedenis en theorie van de landschapsarchitectuur in samenhang met aanverwante kunstvormen.
3. Aan de hand van het vervaardigde ontwerp met de daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 24, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. vaardigheid in het hanteren van de natuurlijke component van het ruimtelijk milieu;
b. passende kennis van en inzicht in het geheel van fysisch-biotische verschijnselen en antropogene processen, dat ten grondslag ligt aan en samenhangt met het fenomeen landschap;
c. passende kennis van en inzicht in de effecten die optreden bij transformaties van het natuurlijk en ruimtelijk milieu;
d. passende kennis van en inzicht in menselijke en intermenselijke activiteiten in samenhang met het ruimtelijk milieu;
e. passende kennis van en inzicht in het planningsproces in zijn belangrijkste componenten: inventarisatie en analyse, doelformulering en programmering, ruimtelijke planvorming, en evaluatie;
f. passende kennis van, inzicht in en vaardigheid met betrekking tot "taal" in de uitgebreide zin des woords, dat wil zeggen het kennen en kunnen gebruiken van woorden, tekens, beelden, vormen en symbolen ten dienste van het overdragen van ideeën en van de vormgeving van het ruimtelijk milieu, en
g. passende kennis van en inzicht in de technieken om ontwerpen te doen concretiseren.