BWBR0004907
Geldig vanaf 1990-12-13
Artikel 31
Examenbesluit Wet op de architectentitel
1. Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een interieurontwerp met een daarbij behorende toelichting, dat moet voldoen aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de theorie en geschiedenis van de interieurarchitectuur, de geschiedenis van de architectuur en de historische ontwikkeling van maatschappelijke en culturele stromingen en inzicht in de invloed daarvan op de interieurvormgeving;
b. kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van belang zijn voor de interieurvormgeving, en
c. inzicht in het beroep van interieurarchitect en de rol van de interieurarchitect in de maatschappij, in het bijzonder bij het vervaardigen van interieurontwerpen waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3. Aan de hand van het vervaardigde interieurontwerp met de daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 30, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. passende kennis van het vormgevend ontwerpen voor architectuur en interieurarchitectuur en van de daarvoor gebruikte methoden;
b. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek ten dienste van interieurvormgeving en de voorbereiding van een interieurontwerp;
c. passende kennis van en inzicht in bouwkundige constructies, de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen, in het bijzonder in relatie tot het renoveren, verbouwen van en beperkt aanbouwen aan bestaande gebouwen, en de installatie-technische aspecten;
d. passende kennis van en inzicht in de eigenschappen van bouwmaterialen, in het bijzonder die met betrekking tot de afwerking van gebouwen;
e. passende kennis van materialen, produkten en technieken ten behoeve van de afwerking, inrichting, meubilering en stoffering van het interieur, alsmede kennis van technische installaties die in gebouwen worden gebruikt, in het bijzonder met betrekking tot de inpassing van die installaties in het interieur;
f. technische bekwaamheid als ontwerper ten einde, binnen de door begrotingsfactoren, bouw- en andere voorschriften gestelde grenzen en met inachtneming van de zorg voor het bereiken en behouden van een toereikende kwaliteit van het milieu te kunnen voldoen aan de eisen van gebruikers van het interieur;
g. passende kennis van de organisatorische, financiële en juridische aspecten die betrekking hebben op het ontwerpen en de ruimtelijke realisatie daarvan;
h. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een interieurontwerp inzichtelijk te maken voor anderen, daarbij inbegrepen vaardigheid in het maken van tekeningen en bijbehorende omschrijvingen, en
i. passende kennis en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een interieurontwerp.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de theorie en geschiedenis van de interieurarchitectuur, de geschiedenis van de architectuur en de historische ontwikkeling van maatschappelijke en culturele stromingen en inzicht in de invloed daarvan op de interieurvormgeving;
b. kennis van de beeldende kunsten, voor zover die van belang zijn voor de interieurvormgeving, en
c. inzicht in het beroep van interieurarchitect en de rol van de interieurarchitect in de maatschappij, in het bijzonder bij het vervaardigen van interieurontwerpen waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3. Aan de hand van het vervaardigde interieurontwerp met de daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 30, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd, en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. passende kennis van het vormgevend ontwerpen voor architectuur en interieurarchitectuur en van de daarvoor gebruikte methoden;
b. inzicht in en vaardigheid met de methoden van onderzoek ten dienste van interieurvormgeving en de voorbereiding van een interieurontwerp;
c. passende kennis van en inzicht in bouwkundige constructies, de bouwfysische aspecten die daarmee samenhangen, in het bijzonder in relatie tot het renoveren, verbouwen van en beperkt aanbouwen aan bestaande gebouwen, en de installatie-technische aspecten;
d. passende kennis van en inzicht in de eigenschappen van bouwmaterialen, in het bijzonder die met betrekking tot de afwerking van gebouwen;
e. passende kennis van materialen, produkten en technieken ten behoeve van de afwerking, inrichting, meubilering en stoffering van het interieur, alsmede kennis van technische installaties die in gebouwen worden gebruikt, in het bijzonder met betrekking tot de inpassing van die installaties in het interieur;
f. technische bekwaamheid als ontwerper ten einde, binnen de door begrotingsfactoren, bouw- en andere voorschriften gestelde grenzen en met inachtneming van de zorg voor het bereiken en behouden van een toereikende kwaliteit van het milieu te kunnen voldoen aan de eisen van gebruikers van het interieur;
g. passende kennis van de organisatorische, financiële en juridische aspecten die betrekking hebben op het ontwerpen en de ruimtelijke realisatie daarvan;
h. vaardigheid in beeld, geschrift en woord om een interieurontwerp inzichtelijk te maken voor anderen, daarbij inbegrepen vaardigheid in het maken van tekeningen en bijbehorende omschrijvingen, en
i. passende kennis en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een interieurontwerp.