BWBR0004907
Geldig vanaf 1990-12-13
Artikel 30
Examenbesluit Wet op de architectentitel
1. In het eerste onderdeel van het examen legt de kandidaat aan de examencommissie drie door hem vervaardigde en onder zijn leiding uitgevoerde interieurontwerpen voor en licht deze mondeling toe.
2. Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen onderzoekt de examencommissie of de kandidaat beschikt over:
a. het vermogen tot interieurvormgeving die aan esthetische, functionele en technische eisen voldoet vanuit inzicht in de werking en begrenzing van ruimten en de doorbreking daarvan, alsmede in de werking van ruimten onderling, in het bijzonder wat betreft vorm en verhouding, en
b. het vermogen om in het ontwerp-proces ten dienste van interieurvormgeving de relatie tussen mensen en ruimten te betrekken, onder andere door de afstemming van de vormgeving op menselijke behoeften en maatstaven.
2. Naar aanleiding van de voorgelegde en toegelichte ontwerpen onderzoekt de examencommissie of de kandidaat beschikt over:
a. het vermogen tot interieurvormgeving die aan esthetische, functionele en technische eisen voldoet vanuit inzicht in de werking en begrenzing van ruimten en de doorbreking daarvan, alsmede in de werking van ruimten onderling, in het bijzonder wat betreft vorm en verhouding, en
b. het vermogen om in het ontwerp-proces ten dienste van interieurvormgeving de relatie tussen mensen en ruimten te betrekken, onder andere door de afstemming van de vormgeving op menselijke behoeften en maatstaven.