BWBR0004907
Geldig vanaf 1990-12-13
Artikel 19
Examenbesluit Wet op de architectentitel
1. Het tweede onderdeel van het examen bestaat uit het schrijven van een scriptie over een door de examencommissie te bepalen onderwerp en uit het vervaardigen van een stedebouwkundig ontwerp met een daarbij behorende toelichting, dat moet voldoen aan een door de examencommissie opgesteld programma van eisen.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de stedebouw en van de relatie met andere disciplines;
b. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht, en
c. inzicht in het beroep van stedebouwkundige en in de rol van de stedebouwkundige in de maatschappij, in het bijzonder bij het vervaardigen van stedebouwkundige ontwerpen waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3. Aan de hand van het vervaardigde stedebouwkundig ontwerp met de daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 18, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. inzicht in en vaardigheid met de methoden van stedebouwkundig onderzoek en de voorbereiding van stedebouwkundige ontwerpen;
b. passende kennis van de inhoud van andere bij de ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines, zoals architectuur, volkshuisvesting en tuin- en landschapsarchitectuur;
c. vaardigheden op het gebied van ruimtelijke planning en stedebouwkundig ontwerp, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en historische analyse van stedebouwkundige verschijnselen en oplossingen;
d. passende kennis van sociaal-maatschappelijke processen, ontwikkelingen en randvoorwaarden, in het bijzonder ten aanzien van culturele en ruimtelijk morfologische ontwikkelingen, de leefomgeving, de natuur en het milieu;
e. passende kennis van maatschappijwetenschappen, sociale en historische geografie, landschapskunde, ecologie, civiele techniek en economie, alsmede van het ruimtelijk en stedebouwkundig recht;
f. passende kennis van de organisatie, de middelen en de instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningniveau's in Nederland;
g. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om een stedebouwkundig ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken, en
h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een stedebouwkundig ontwerp.
2. Aan de hand van de scriptie onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of deze beschikt over:
a. passende kennis van de geschiedenis en theorie van de stedebouw en van de relatie met andere disciplines;
b. inzicht in processen die hebben geleid tot menselijke nederzettingen en occupatiepatronen in cultuur- en natuurhistorisch opzicht, en
c. inzicht in het beroep van stedebouwkundige en in de rol van de stedebouwkundige in de maatschappij, in het bijzonder bij het vervaardigen van stedebouwkundige ontwerpen waarin rekening wordt gehouden met sociale factoren en milieufactoren.
3. Aan de hand van het vervaardigde stedebouwkundig ontwerp met de daarbij behorende toelichting onderzoekt de examencommissie in een gesprek met de kandidaat of het resultaat van het in artikel 18, tweede lid, bedoelde onderzoek wordt bevestigd en voorts of de kandidaat beschikt over:
a. inzicht in en vaardigheid met de methoden van stedebouwkundig onderzoek en de voorbereiding van stedebouwkundige ontwerpen;
b. passende kennis van de inhoud van andere bij de ruimtelijke vormgeving betrokken disciplines, zoals architectuur, volkshuisvesting en tuin- en landschapsarchitectuur;
c. vaardigheden op het gebied van ruimtelijke planning en stedebouwkundig ontwerp, inzicht in plannings- en ontwerpmethodieken en vaardigheid met de fysieke, structurele en historische analyse van stedebouwkundige verschijnselen en oplossingen;
d. passende kennis van sociaal-maatschappelijke processen, ontwikkelingen en randvoorwaarden, in het bijzonder ten aanzien van culturele en ruimtelijk morfologische ontwikkelingen, de leefomgeving, de natuur en het milieu;
e. passende kennis van maatschappijwetenschappen, sociale en historische geografie, landschapskunde, ecologie, civiele techniek en economie, alsmede van het ruimtelijk en stedebouwkundig recht;
f. passende kennis van de organisatie, de middelen en de instrumenten van de ruimtelijke ordening en planningniveau's in Nederland;
g. vaardigheden en methoden in beeld, geschrift en woord om een stedebouwkundig ontwerp voor anderen inzichtelijk te maken, en
h. passende kennis van en inzicht in procedures en processen van besluitvorming met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van een stedebouwkundig ontwerp.