BWBR0004800
Geldig vanaf 01-01-2005
Artikel XIII
Leidraad invordering 1990
In daartoe aanleiding gevende gevallen en met inachtneming van dit hoofdstuk en de desbetreffende voorschriften in het Handboek Invordering heeft de ontvanger de mogelijkheid een openstaande belastingaanslag oninbaar te lijden.
Voordat de ontvanger een openstaande aanslag oninbaar lijdt overtuigt hij zich er van dat er in Nederland of in het buitenland geen invorderingsmogelijkheden meer zijn. De ontvanger lijdt dus een aanslag pas oninbaar als alle invorderingsmogelijkheden zijn afgerond dan wel redelijkerwijs achterwege kunnen blijven. In dit verband worden onder invorderingsmogelijkheden eveneens begrepen:
- aansprakelijkstellingen die ertoe kunnen leiden dat de belastingaanslag alsnog wordt voldaan;
- het aanvragen van het faillissement van de belastingschuldige;
- het uitwinnen van gestelde zekerheden;
- paspoortsignalering.
Naast de in het vorige lid genoemde situaties kunnen openstaande belastingaanslagen oninbaar worden geleden op grond van een landelijk geldend besluit in verband met het ontbreken van voldoende uitvoeringscapaciteit. Een dergelijk besluit wordt genomen door de leiding van de Belastingdienst.
Wanneer het de ontvanger bekend is dat binnen afzienbare tijd een belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag kan worden verwacht waarmee de openstaande belastingaanslag kan worden verrekend, zal hij niet tot oninbaarlijden van de belastingaanslag overgaan. Van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf is in dit verband in ieder geval sprake als het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht, is verstreken.
Wanneer de ontvanger constateert dat een belastingschuldige in aanmerking kan komen voor kwijtschelding dient hij, voordat hij een belastingaanslag oninbaar lijdt, te bevorderen dat de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient.
Voordat een belastingaanslag oninbaar wordt geleden, gaat de ontvanger na of er aanleiding bestaat de verjaring als bedoeld in artikel 27 van de wet te stuiten of te (laten) schorsen. De ontvanger zal de verjaring in de regel stuiten of schorsen als het oninbaar te lijden bedrag € 4538 of meer bedraagt. Door stuiting of schorsing wordt bereikt dat de verjaringstermijn opnieuw gaat lopen dan wel wordt verlengd. Toekomstige uit te betalen bedragen kunnen daardoor gedurende de door de ontvanger te bepalen tijd worden verrekend met de oninbaar te lijden schuld. Daarnaast blijft de invordering mogelijk bij een op dit moment niet traceerbare belastingschuldige of een belastingschuldige die in de toekomst wellicht in betere financiële omstandigheden zal komen te verkeren. Als het de ontvanger bekend is dat een uit te betalen bedrag binnen afzienbare tijd wordt verwacht, lijdt hij de openstaande belastingaanslag waarmee het uit te betalen bedrag kan worden verrekend uiteraard niet oninbaar (zie het derde lid van deze paragraaf).
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Verordening (EEG, EURATOM) nr. 1552/89 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen hoeven de lid-staten bedragen waarvan de inning tengevolge van overmacht onmogelijk is geworden niet af te dragen. In dergelijke gevallen waarin er voor Nederland geen verplichting tot afdracht van de in/uitvoerrechten aan de Europese Commissie bestaat, wordt zo nodig oninbaar geleden.
Voordat de ontvanger een openstaande aanslag oninbaar lijdt overtuigt hij zich er van dat er in Nederland of in het buitenland geen invorderingsmogelijkheden meer zijn. De ontvanger lijdt dus een aanslag pas oninbaar als alle invorderingsmogelijkheden zijn afgerond dan wel redelijkerwijs achterwege kunnen blijven. In dit verband worden onder invorderingsmogelijkheden eveneens begrepen:
- aansprakelijkstellingen die ertoe kunnen leiden dat de belastingaanslag alsnog wordt voldaan;
- het aanvragen van het faillissement van de belastingschuldige;
- het uitwinnen van gestelde zekerheden;
- paspoortsignalering.
Naast de in het vorige lid genoemde situaties kunnen openstaande belastingaanslagen oninbaar worden geleden op grond van een landelijk geldend besluit in verband met het ontbreken van voldoende uitvoeringscapaciteit. Een dergelijk besluit wordt genomen door de leiding van de Belastingdienst.
Wanneer het de ontvanger bekend is dat binnen afzienbare tijd een belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag kan worden verwacht waarmee de openstaande belastingaanslag kan worden verrekend, zal hij niet tot oninbaarlijden van de belastingaanslag overgaan. Van een binnen afzienbare tijd te verwachten belastingteruggaaf is in dit verband in ieder geval sprake als het belastingjaar of belastingtijdvak waarover de teruggaaf wordt verwacht, is verstreken.
Wanneer de ontvanger constateert dat een belastingschuldige in aanmerking kan komen voor kwijtschelding dient hij, voordat hij een belastingaanslag oninbaar lijdt, te bevorderen dat de belastingschuldige een verzoek om kwijtschelding indient.
Voordat een belastingaanslag oninbaar wordt geleden, gaat de ontvanger na of er aanleiding bestaat de verjaring als bedoeld in artikel 27 van de wet te stuiten of te (laten) schorsen. De ontvanger zal de verjaring in de regel stuiten of schorsen als het oninbaar te lijden bedrag € 4538 of meer bedraagt. Door stuiting of schorsing wordt bereikt dat de verjaringstermijn opnieuw gaat lopen dan wel wordt verlengd. Toekomstige uit te betalen bedragen kunnen daardoor gedurende de door de ontvanger te bepalen tijd worden verrekend met de oninbaar te lijden schuld. Daarnaast blijft de invordering mogelijk bij een op dit moment niet traceerbare belastingschuldige of een belastingschuldige die in de toekomst wellicht in betere financiële omstandigheden zal komen te verkeren. Als het de ontvanger bekend is dat een uit te betalen bedrag binnen afzienbare tijd wordt verwacht, lijdt hij de openstaande belastingaanslag waarmee het uit te betalen bedrag kan worden verrekend uiteraard niet oninbaar (zie het derde lid van deze paragraaf).
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Verordening (EEG, EURATOM) nr. 1552/89 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen hoeven de lid-staten bedragen waarvan de inning tengevolge van overmacht onmogelijk is geworden niet af te dragen. In dergelijke gevallen waarin er voor Nederland geen verplichting tot afdracht van de in/uitvoerrechten aan de Europese Commissie bestaat, wordt zo nodig oninbaar geleden.
- Citeren als
- Art. XIII
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004800
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl