BWBR0004800
Geldig vanaf 01-01-2006
Artikel XVII
Leidraad invordering 1990
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
°. verzoekende autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat, die een verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere staat doet;
°. aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat aan wie een verzoek om bijstand bij de invordering is gericht; staat: hetzij 1. een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Azerbaidzian, België, Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
4. een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
5. de Nederlandse Antillen en Aruba; Internationale regelingen - verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
- verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen. Onder de overige in dit hoofdstuk gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als in de andere hoofdstukken van deze leidraad wordt verstaan.
1. een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Azerbaidzian, België, Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
4. een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
5. de Nederlandse Antillen en Aruba; Internationale regelingen - verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
- verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
De internationale invordering ziet op alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
De wederzijdse bijstand bij de invordering betreft vier hoofdvormen:
a. inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering;
b. notificatie;
c. bijstand bij de invordering;
d. bijstand voor het treffen van conservatoire maatregelen.
De internationale invordering geschiedt op grond van diverse internationale regelingen en nationale wetten. De verhouding tussen het nationale recht en het internationale recht is geregeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
Voor wat betreft de internationale invordering gelden de volgende algemene uitgangspunten:
- de internationale regeling waarop een beroep is gedaan alsmede de wet en regelgeving van de aangezochte staat beheersen zoveel mogelijk de wijze van executie van de buitenlandse schuld;
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de belastingschuld in de verzoekende staat is vastgesteld overeenkomstig het geschreven en ongeschreven recht van de verzoekende staat, met inbegrip van het aldaar toepasselijk internationaal recht;
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de mogelijkheden tot invordering op het grondgebied van de verzoekende staat onvoldoende zijn om de schuld te delgen;
- de aangezochte autoriteit hoeft geen middelen toe te passen waarvoor de wet van de verzoekende staat geen voorziening kent;
- de belastingvorderingen van de verzoekende staat hebben in de aangezochte staat geen voorrecht;
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
- de aangezochte staat spant zich zoveel mogelijk in om op juiste en snelle wijze wederzijdse bijstand te verlenen terzake van de invordering van de schuldvorderingen van de verzoekende staat.
Van deze uitgangspunten wordt uitgegaan tenzij de desbetreffende internationale regeling anderszins bepaalt.
Een verzoek om bijstand bij de invordering in een andere staat wordt in beginsel pas gedaan wanneer de ontvanger mag aannemen dat het treffen van invorderingsmaatregelen in Nederland niet of niet geheel tot betaling van de schuld zal leiden. Er hoeft niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke invorderingsprocedure is gestart of is afgerond. Evenmin staat een mogelijkheid tot paspoortsignalering, lijfsdwang of aansprakelijkstelling een verzoek om bijstand bij de invordering in de weg. Een verzoek tot invordering op basis van de EU-Richtlijn 76/308 kan reeds worden gedaan als blijkt dat invorderingsmaatregelen hier te lande niet zullen leiden tot volledige invordering. Wanneer een derde (mede) aansprakelijk is gesteld dan wel kan worden gesteld voor de voldoening van de schuld, wordt getracht de schuld eerst te verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige zelf, dus ook op bestanddelen die zich in een andere staat bevinden, en pas daarna op de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde.
Bijstand bij de invordering is ook mogelijk met betrekking tot aansprakelijkgestelden. De bijstand vindt zoveel als mogelijk op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van de hoofdschuldenaar.
De wederzijdse bijstand gaat uit van contacten tussen bevoegde autoriteiten. Voor Nederland is dat de Minister van Financiën of de door hem aangewezen bevoegde autoriteit. De directeur-generaal Belastingdienst is aangewezen om namens de Staatssecretaris van Financiën te handelen als bevoegde autoriteit voor de internationale invordering en is bevoegd namens hem besluiten te nemen die zien op de internationale invordering.
De directeur-generaal Belastingdienst is belast met de internationale wederzijdse bijstand namens de Staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden van met name beleidsmatige aard en bijzondere werkzaamheden van uitvoerende aard op dit gebied worden uitgevoerd door het team Internationaal van het directoraat-generaal Belastingdienst. De teams Ondernemingen en Particulieren en formeel recht van het directoraat-generaal Belastingdienst zijn belast met de behandeling van verzoeken aan H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Benelux Ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften van het Europese Parlement en andere soortgelijke organen, waarvan klachten op het gebied van de internationale invordering kunnen worden voorgelegd. De directeur-generaal Belastingdienst is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten in het kader van de internationale invordering (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen. De uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de internationale invordering zijn zo veel mogelijk verlegd naar de Belastingdienst.
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belastingadministraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door het ministerie en een beperkt aantal Centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur-generaal Belastingdienst vallen. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, niet belast met douaneaangelegenheden, fungeert de FIOD-ECD te Amsterdam als Centraal aanspreekpunt. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief. De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van sociale verzekeringspremies rechtstreeks aan die instanties.
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting is de FIOD-ECD belast met het, namens de Staatssecretaris van Financiën, behandelen van verzoek om bijstand bij de invordering, die gebaseerd zijn op een internationale regeling, waarin een bepaling is opgenomen inzake de internationale invordering van belastingen.
De FIOD-ECD is voor wat betreft de hiervoor genoemde middelen belast met en het toezicht houden op de juiste en tijdige uitvoering van de wederzijdse bijstand bij de invordering. De FIOD-ECD is in verband daarmee ook belast om ten behoeve van de Belastingdienst met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk te handelen overeenkomstig het bepaalde in:
a. de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28, en 30 en 34 WWB;
b. artikel 2 van de Goedkeuringswet Benelux Invorderingsverdrag (Wet van 8 juli 1953, Stb. 332) en artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking Benelux Invorderingsverdrag, Beschikking 10 december 1956 ( Ned. Stcrt. van 14 december 1956, nr. 245);
c. artikel 2 van de Goedkeuringswet Overeenkomst met Denemarken ter vermijding van dubbele belasting (Wet van 23 oktober 1957, Stb. 438);
d. artikel 2 van de Goedkeuringswet Verdrag met de Verenigde Staten van Amerika ter voorkoming van dubbele belasting (Wet van 29 oktober 1948, Stb. 464);
e. artikel 36 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (Rijkswet van 28 oktober 1964, Stb. 425) en gelijksoortige bepalingen inzake de wederzijdse bijstand bij de invordering die zijn opgenomen in internationale regelingen. De FIOD-ECD is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten onder mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De FIOD-ECD fungeert voor verzoeken met betrekking tot genoemde middelen voor de wederzijdse bijstand bij de invordering als Centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van de Belastingdienst in individuele gevallen de contacten met andere staten onderhoudt.
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen die verband houden met douanerechten, accijnzen, omzetbelasting, landbouwheffingen en restituties, interventies en andere maatregelen die deel uit maken van algehele of gedeeltelijke financiering door het Europese Oriëntatie en Garantiefonds voor de Landbouw behandelt de directeur verzoeken om administratieve samenwerking. De directeur is in verband daarmede ook bevoegd om namens de Staatssecretaris van Financiën en ten behoeve van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk te handelen overeenkomstig de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28, en 30 en 34 WWB. De directeur fungeert voor verzoeken met betrekking tot genoemde middelen voor de wederzijdse bijstand bij de invordering als Centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, in individuele gevallen de contacten met andere staten onderhoudt.
De directeur is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten (onder) mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de directeur uitgevoerd door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kunnen hebben op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan het ministerie.
Hiervan is in ieder geval sprake bij strafrechtelijke aspecten en grote financiële of economische belangen, alsmede indien een aangezochte staat de door Nederland verzochte bijstand niet, onvolledig of niet tijdig verstrekt. Ook indien de te verlenen bijstand een commercieel, industrieel of een beroepsgeheim zou onthullen of indien de bevoegdheden om aan een verzoek te voldoen ontbreken, alsmede indien een andere staat zijn beklag doet over de handelingen van de Belastingdienst, wordt overleg met het ministerie gevoerd.
De ontvanger wendt zich ook tot het ministerie in gevallen van internationale invordering waarin het vragen van toestemming nodig is dan wel hij overleg moet voeren. Dit doet zich voor bij het aanvragen van een faillissement of lijfsdwang en voor alle in het buitenland te voeren procedures waarin de ontvanger als eiser wil optreden.
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een dergelijk verzoek doen. Inlichtingen kunnen dus ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD-ECD, de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan.
Alvorens een voorstel tot een verzoek te doen gaat de ontvanger na of dit op grond van internationale afspraken mogelijk is.
Tot het inwinnen van inlichtingen in het buitenland wordt niet overgegaan indien het verschuldigde bedrag aan belasting minder dan € 227 bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat voor een lager bedrag inlichtingen worden gevraagd. Voor Richtlijn 76/308 geldt een bedrag van € 1500.
Spontane inlichtingen zijn inlichtingen waarom niet is verzocht, maar waarvan het vermoeden bestaat dat zij van belang kunnen zijn voor de heffing en/of de invordering in een andere staat.
De Belastingdienst verstrekt in voorkomende gevallen uit eigen beweging inlichtingen aan een andere staat indien het vermoeden bestaat dat de informatie van nut kan zijn voor de belastingheffing en/of inning in die staat. Ingeval een belastingschuldige Nederland verlaat zonder zijn schulden te betalen is het bijvoorbeeld voor de autoriteiten van vestiging van belang op de hoogte te zijn van het getoonde fiscale gedrag. De buitenlandse autoriteiten kunnen dan hun beleid daarop afstemmen, waardoor de invorderingsverliezen in het buitenland beperkt kunnen worden. Ook indien in het verleden een verzoek om invordering door een andere staat niet geleid heeft tot integrale betaling en naderhand alsnog blijkt dat er verhaalsobjecten in Nederland aanwezig zijn, alsmede in het geval dat in Nederland een faillissement wordt uitgesproken of een sanering van schulden wordt bewerkstelligd waarbij een andere staat belang heeft, meldt de ontvanger dit uit eigen beweging per omgaande via het Centrale aanspreekpunt aan de verzoekende staat.
Indien een verzoek om wederzijdse bijstand loopt, informeert de ontvanger de buitenlandse autoriteit niet nog eens afzonderlijk over het fiscale gedrag van betrokkene in Nederland. Het verzoek om bijstand bij de invordering betreft alsdan reeds spontane informatieverstrekking.
De geheimhoudingsbepalingen zoals weergegeven in artikel 67 van de wet, alsmede bepalingen betreffende de geheimhouding die opgenomen zijn in de desbetreffende internationale regeling zijn onverkort van toepassing. De verkregen informatie mag niet gebruikt worden voor de inning en/of heffing van (andere) vorderingen, tenzij de internationale regeling een ruimer gebruik toestaat. Een ruimer gebruik is toegestaan indien de informatie afkomstig is uit een openbaar register. De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (Wet van 24 april 1986, Stb. 249) en de daarin opgenomen bekendmakingsprocedure die moet plaatsvinden bij het verstrekken van informatie aan een andere staat geldt niet voor de informatieverstrekking ten behoeve van de invordering. Indien een belanghebbende zich wendt tot de burgerlijke rechter om te voorkomen dat de inlichtingen aan een andere staat worden verstrekt, wordt contact opgenomen met het ministerie.
Op grond van de procedure ex artikel 55, eerste lid, eerste volzin, Rv kan een dwangbevel aan de Officier van Justitie worden betekend ten aanzien van een in het buitenland wonende belastingschuldige. De ontvanger kan echter ook een verzoek tot notificatie doen wanneer een beslissing ter kennis van die belastingschuldige moet worden gebracht. Betekening of uitreiking kan plaatsvinden van elke beslissing of gerechtelijke of niet gerechtelijke akte die van belang is voor de invordering.
Het komt voor dat bijstand kan worden gevraagd aan een bepaalde staat op grond van verschillende internationale regelingen. Het is dan mogelijk dat de ene regeling een ruimere wederzijdse bijstand toestaat dan de andere. In dat geval kan het verzoek worden gebaseerd op de regeling die de ruimste mogelijkheden biedt.
De schuldenaar hoeft niet noodzakelijkerwijs te wonen, te verblijven of te zijn gevestigd in de staat waaraan het verzoek is gericht. Ook is niet vereist dat met de staat waarvan de belastingschuldige inwoner is een internationale regeling is gesloten. Het is voldoende dat in de staat waaraan het verzoek wordt gericht verhaalsobjecten aanwezig zijn. Voorwaarde is dat met de staat waaraan het verzoek om bijstand bij de invordering wordt gericht zich aan een internationale regeling heeft gebonden, waarin een bepaling terzake van de invordering is opgenomen. Indien de belastingschuldige niet de nationaliteit bezit van de verzoekende staat kan niet in alle gevallen een beroep op een verdrag worden gedaan. In een beperkt aantal internationale regelingen waarin een invorderingsbepaling is opgenomen, is bepaald dat de hulp en bijstand niet geldt ten aanzien van de onderdanen van de staat waaraan het verzoek wordt gericht.
Tot het inroepen van bijstand wordt niet overgegaan indien het verschuldigde bedrag beneden € 227 ligt. Voor wat betreft het Benelux Invorderingsverdrag is tussen de betrokken staten een bedrag van € 681 afgesproken en voor de Richtlijn 76/308 € 1500. Bijzondere, in het verzoek aangegeven, omstandigheden kunnen bijstand rechtvaardigen voor een lager bedrag. Wanneer tegelijkertijd op grond van verschillende internationale regelingen een verzoek om bijstand wordt gedaan, mogen de bedragen van de verzoeken niet bij elkaar worden geteld.
Bijstand bij de invordering wordt door de ontvanger verzocht voor belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan, geheel invorderbaar zijn en waarvoor een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Het mag daarbij ook gaan om een ambtshalve belastingaanslag, waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze gedeeltelijk materieel verschuldigd is. Voor de mogelijkheid om conservatoire maatregelen te treffen wordt verwezen naar § 7.
Op een buitenlandse belastingschuld is de wetgeving van de verzoekende staat van toepassing. De hoogte van de belastingaanslag, de formele vereisten (zoals bijvoorbeeld die ten aanzien van de bezwaar- en bewaartermijnen van bescheiden), de verjaringstermijn en de rechtsmiddelen met betrekking tot de belastingschuld worden beheerst door de wetgeving van de verzoekende staat. Ten aanzien van de daadwerkelijke invordering geldt dat de Nederlandse belastingdienst daartoe overgaat overeenkomstig de internationale regeling en de in Nederland geldende regelgeving.
Met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling in verband met betwisting van de buitenlandse schuld, is het gestelde in artikel 25, § 1, lid 16 (zekerheid) en § 2 van de leidraad (uitstel in verband met bezwaren tegen de belastingaanslag) van overeenkomstige toepassing.
Uitgangspunt is dat het gevoerde uitstelbeleid voor buitenlandse schuldvorderingen in lijn is met het uitstelbeleid van artikel 25, § 7, e.v. van de leidraad. Uitgangspunt voor de looptijd van een betalingsregeling is dat het verschuldigde bedrag zo snel mogelijk wordt betaald en dat voor nieuwe belastingaanslagen van de Nederlandse belastingdienst geen betalingsachterstand zal optreden.
Ten aanzien van de vervolgingskosten is het beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk XII zoveel mogelijk van toepassing.
Het gevoerde beleid met betrekking tot het niet verder bemoeilijken voor buitenlandse vorderingen in Nederland is in lijn met het kwijtscheldingsbeleid, dat voor Nederlandse belastingschulden gevoerd wordt met inachtneming van het navolgende.
In fraudegevallen en in het geval door de schuldenaar vermogensbestanddelen zijn aangeschaft terwijl hij op de hoogte was of had kunnen zijn van de buitenlandse vordering wordt het verzoek afgewezen. Indien er andere crediteuren in Nederland en/of in het buitenland zijn, wordt alleen een beslissing tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen in Nederland genomen bij een sanering van alle schulden van de schuldenaar in Nederland en in de verzoekende staat. Bij een concurrente buitenlandse vordering wordt meegewerkt indien het te ontvangen deel van de belastingschuld tenminste hetzelfde percentage bedraagt van hetgeen (gemiddeld) aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd en vooruitlopend op een eventuele sanering een betalingsregeling wordt overeengekomen, die een substantiële omvang heeft, zowel absoluut als in relatie tot de totale buitenlandse belastingschuld.
Een positieve beslissing op het verzoek houdt in dat afgezien wordt van verdere invordering hier te lande indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het verzoek om bijstand bij de invordering wordt alsdan aan de verzoekende autoriteit geretourneerd. De verzoekende staat kan buiten Nederland desgewenst verdere invorderingsmaatregelen treffen.
De Nederlandse ontvanger kan zelfstandig kwijtschelding verlenen van de in Nederland op grond van Nederlandse wetten berekende vervolgingskosten en rente. Voor wat betreft de behandeling van verzoeken om kwijtschelding of redressering van de in Nederland in rekening gebrachte vervolgingskosten spoort het beleid met het beleid dat gevoerd wordt voor vervolgingskosten die berekend worden voor Nederlandse vorderingen, met dien verstande dat de ontvanger rekening houdt met de eventuele mogelijkheid de kosten te verhalen op de verzoekende autoriteiten.
Wanneer invordering plaatsvindt voor een buitenlandse schuld van een overledene, wordt de dwanginvordering beperkt tot de waarde van de nalatenschap c.q. de goederen, die de erfgenamen uit de nalatenschap hebben verkregen.
Op basis van Richtlijn 76/308 kan Nederland worden gevraagd een individu (of bedrijf) te confronteren met een verzoek van een andere lidstaat en vervolgens - op basis van een buitenlandse executoriale titel - invorderingsactiviteiten te verrichten, terwijl niet uitgesloten is dat de vordering later als gevolg van betwisting c.q. aanvechting door de schuldenaar onterecht blijkt te zijn geweest. Strikt genomen leidt een dergelijk verzoek niet tot schorsing van de invorderingsactiviteiten. Toch blijven de gevolgen van een verzoek tot onmiddellijke invordering zonder schorsing beperkt, aangezien op basis van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn (artikel 19 van de WWB) uitstel van betaling zal worden verleend. Slechts in de situatie waarin in het kader van de bestrijding van fraude een verzoek wordt gedaan een belastingschuld of andere schuldvordering onmiddellijk in te vorderen zonder schorsing wordt dit uitstel niet verleend.
Op basis van de Richtlijn 76/308 is de aangezochte lidstaat niet gehouden de gevraagde bijstand te verlenen wanneer het verzoek betrekking heeft op een schuldvordering die meer dan vijf jaar bestaat, te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de executoriale titel. In de gevallen waarin de schuldvordering of de titel wordt betwist, wordt de termijn berekend vanaf het tijdstip waarop de verzoekende staat vaststelt dat de schuldvordering of de titel niet langer kunnen worden betwist.
Het beleid is er op gericht een dergelijk verzoek in behandeling te nemen.
Voor verzoeken om conservatoire maatregelen aan een andere staat geldt in zijn algemeenheid hetzelfde als voor een verzoek om bijstand bij de invordering, met dat verschil dat de belastingaanslag niet onbetwist of onherroepelijk vast hoeft te staan en zekerheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. In een aantal gevallen dient de ontvanger bij het verzoek om conservatoire maatregelen te treffen een executoriale titel te overleggen.
De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland achterwege indien het verschuldigde bedrag lager is dan € 2269, tenzij bijzondere omstandigheden maatregelen een lager bedrag rechtvaardigen.
Indien de ontvanger kennis neemt van de opening van een insolventieprocedure in een land waar op grond van een internationale regeling bijstand bij de invordering mogelijk is terwijl geen aanleiding bestaat in Nederland een secundaire procedure te openen (zie artikel 3, § 3, lid 7a), verzoekt de ontvanger het Centrale aanspreekpunt om bijstand terzake van de indiening van zijn vorderingen in de buitenlandse insolventieprocedure.
In het geval er geen internationale regeling is die een verzoek om bijstand bij de invordering mogelijk maakt en er tevens geen aanleiding bestaat om een secundaire insolventieprocedure in Nederland te openen, meldt de ontvanger de vordering rechtstreeks aan in de buitenlandse insolventieprocedure. De zogenaamde "Indiening van een vordering" kan in beginsel in het Nederlands opgesteld worden. Desgevorderd is een vertaling noodzakelijk (de ontvanger kan een vertaling aanvragen bij het Centrale aanspreekpunt). In alle gevallen behoudt de ontvanger zich het stemrecht voor ten aanzien van een mogelijk akkoordvoorstel. De ontvanger maakt in een buitenlandse insolventieprocedure geen aanspraak op het in Nederland geldende bodem(voor)recht. De vorderingen worden ingediend met inbegrip van de verschuldigde heffings- en invorderingsrente.
Indien (nog) geen verzoek om wederzijdse bijstand bij de invordering kan worden gedaan en er verhaalsobjecten in het buitenland aanwezig zijn bestaat er in een enkel geval de mogelijkheid om buiten de regelingen die zien op de wederzijdse bijstand tussen belasting- en premieautoriteiten tot invordering in het buitenland over te gaan en/of conservatoire maatregelen te treffen. Daarvoor is in de regel de tussenkomst van de binnenlandse en/of buitenlandse civiele rechter vereist. Voor het starten van de invordering of het treffen van conservatoire maatregelen in het buitenland buiten de regelingen inzake de wederzijdse bijstand om, is toestemming vereist van het ministerie.
Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in bijzondere gevallen door middel van een procedure te trachten de Nederlandse belastingschuld met behulp van de rechter in te vorderen. Voor dergelijke gevallen geldt dat een substantieel deel van de schuld materieel verschuldigd kan worden geacht en van voldoende omvang is, dat de schuld vermoedelijk verhaalbaar is in het buitenland, alsmede dat een verzoek om wederzijdse bijstand niet mogelijk is.
°. verzoekende autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat, die een verzoek om bijstand bij de invordering aan een andere staat doet;
°. aangezochte autoriteit: de bevoegde autoriteit van een staat aan wie een verzoek om bijstand bij de invordering is gericht; staat: hetzij 1. een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Azerbaidzian, België, Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
4. een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
5. de Nederlandse Antillen en Aruba; Internationale regelingen - verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
- verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen. Onder de overige in dit hoofdstuk gebezigde begrippen wordt hetzelfde verstaan als in de andere hoofdstukken van deze leidraad wordt verstaan.
1. een lidstaat van de Benelux (België, Nederland en Luxemburg);
2. een lidstaat van de Europese Unie (België, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk en Zweden);
3. een lidstaat van de OESO/Raad van Europa, die het WABB-verdrag heeft geratificeerd (Azerbaidzian, België, Finland, Noorwegen, V.S., Nederland, Zweden, Denemarken, IJsland en Polen);
4. een mogendheid waarmee Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten, alsmede
5. de Nederlandse Antillen en Aruba; Internationale regelingen - verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
- verdragen ter voorkoming van dubbele belasting,
- Verordeningen en Richtlijnen van de Europese Unie,
- Verdrag inzake de Wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken (WABB-Verdrag),
- het Benelux Invorderingsverdrag,
– het invorderingsverdrag met Duitsland,
– het invorderingsverdrag met Nieuw-Zeeland,
- de Belastingregeling voor het Koninkrijk,
- overige regelingen waarbij Nederland betrokken is;
- WWB: Wet wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen (Wet van 24 oktober 1979, Stb. 572);
- FIOD-ECD: de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD;
- Centraal aanspreekpunt: aanduiding voor de FIOD-ECD te Amsterdam respectievelijk de Belastingdienst/Douane Noord kantoor Nijmegen.
De internationale invordering ziet op alle maatregelen die in het buitenland kunnen worden getroffen om Nederlandse belasting en overige schuldvorderingen in te vorderen en op alle maatregelen die op verzoek van een andere staat in Nederland genomen kunnen worden om een buitenlandse schuld in te vorderen. Onder het begrip internationale invordering valt ook de wederzijdse bijstand bij de invordering waarbij de bevoegde fiscale en/of premie autoriteiten elkaar bijstaan, zulks op grond van afspraken die neergelegd zijn in internationale regelingen.
De wederzijdse bijstand bij de invordering betreft vier hoofdvormen:
a. inlichtingenuitwisseling ten behoeve van de invordering;
b. notificatie;
c. bijstand bij de invordering;
d. bijstand voor het treffen van conservatoire maatregelen.
De internationale invordering geschiedt op grond van diverse internationale regelingen en nationale wetten. De verhouding tussen het nationale recht en het internationale recht is geregeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.
Voor wat betreft de internationale invordering gelden de volgende algemene uitgangspunten:
- de internationale regeling waarop een beroep is gedaan alsmede de wet en regelgeving van de aangezochte staat beheersen zoveel mogelijk de wijze van executie van de buitenlandse schuld;
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de belastingschuld in de verzoekende staat is vastgesteld overeenkomstig het geschreven en ongeschreven recht van de verzoekende staat, met inbegrip van het aldaar toepasselijk internationaal recht;
- de aangezochte staat mag er op vertrouwen dat de mogelijkheden tot invordering op het grondgebied van de verzoekende staat onvoldoende zijn om de schuld te delgen;
- de aangezochte autoriteit hoeft geen middelen toe te passen waarvoor de wet van de verzoekende staat geen voorziening kent;
- de belastingvorderingen van de verzoekende staat hebben in de aangezochte staat geen voorrecht;
- de wederzijdse bijstand tussen staten beperkt zich tot de belastingen en/of de andere middelen die het onderwerp van de regeling uitmaken;
- wederzijdse bijstand heeft betrekking op de invordering van belastingen en/of overige schuldvorderingen, inclusief eventuele vervolgingskosten, rente en bestuurlijke boeten;
- de aangezochte staat spant zich zoveel mogelijk in om op juiste en snelle wijze wederzijdse bijstand te verlenen terzake van de invordering van de schuldvorderingen van de verzoekende staat.
Van deze uitgangspunten wordt uitgegaan tenzij de desbetreffende internationale regeling anderszins bepaalt.
Een verzoek om bijstand bij de invordering in een andere staat wordt in beginsel pas gedaan wanneer de ontvanger mag aannemen dat het treffen van invorderingsmaatregelen in Nederland niet of niet geheel tot betaling van de schuld zal leiden. Er hoeft niet te worden gewacht tot een daadwerkelijke invorderingsprocedure is gestart of is afgerond. Evenmin staat een mogelijkheid tot paspoortsignalering, lijfsdwang of aansprakelijkstelling een verzoek om bijstand bij de invordering in de weg. Een verzoek tot invordering op basis van de EU-Richtlijn 76/308 kan reeds worden gedaan als blijkt dat invorderingsmaatregelen hier te lande niet zullen leiden tot volledige invordering. Wanneer een derde (mede) aansprakelijk is gesteld dan wel kan worden gesteld voor de voldoening van de schuld, wordt getracht de schuld eerst te verhalen op de vermogensbestanddelen van de belastingschuldige zelf, dus ook op bestanddelen die zich in een andere staat bevinden, en pas daarna op de vermogensbestanddelen van de aansprakelijkgestelde.
Bijstand bij de invordering is ook mogelijk met betrekking tot aansprakelijkgestelden. De bijstand vindt zoveel als mogelijk op overeenkomstige wijze plaats als ten aanzien van de hoofdschuldenaar.
De wederzijdse bijstand gaat uit van contacten tussen bevoegde autoriteiten. Voor Nederland is dat de Minister van Financiën of de door hem aangewezen bevoegde autoriteit. De directeur-generaal Belastingdienst is aangewezen om namens de Staatssecretaris van Financiën te handelen als bevoegde autoriteit voor de internationale invordering en is bevoegd namens hem besluiten te nemen die zien op de internationale invordering.
De directeur-generaal Belastingdienst is belast met de internationale wederzijdse bijstand namens de Staatssecretaris van Financiën. De werkzaamheden van met name beleidsmatige aard en bijzondere werkzaamheden van uitvoerende aard op dit gebied worden uitgevoerd door het team Internationaal van het directoraat-generaal Belastingdienst. De teams Ondernemingen en Particulieren en formeel recht van het directoraat-generaal Belastingdienst zijn belast met de behandeling van verzoeken aan H.M. de Koningin, de Commissie voor de Verzoekschriften van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Benelux Ombudsman, de Commissie voor de Verzoekschriften van het Europese Parlement en andere soortgelijke organen, waarvan klachten op het gebied van de internationale invordering kunnen worden voorgelegd. De directeur-generaal Belastingdienst is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten in het kader van de internationale invordering (onder)mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen. De uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de internationale invordering zijn zo veel mogelijk verlegd naar de Belastingdienst.
De directe contacten tussen de Nederlandse en buitenlandse belastingadministraties vinden uit een oogpunt van herkenbaarheid plaats door het ministerie en een beperkt aantal Centrale aanspreekpunten, die functioneel onder de directeur-generaal Belastingdienst vallen. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, niet belast met douaneaangelegenheden, fungeert de FIOD-ECD te Amsterdam als Centraal aanspreekpunt. Voor de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, is het Centrale aanspreekpunt de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
Voor de invordering van premies zijn andere instanties actief. De ontvanger richt zijn verzoek om bijstand bij de invordering van sociale verzekeringspremies rechtstreeks aan die instanties.
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingen naar het inkomen, de winst en het vermogen, van belastingen van nalatenschappen en verkrijgingen krachtens erfrecht en schenkingen, alsmede de omzetbelasting is de FIOD-ECD belast met het, namens de Staatssecretaris van Financiën, behandelen van verzoek om bijstand bij de invordering, die gebaseerd zijn op een internationale regeling, waarin een bepaling is opgenomen inzake de internationale invordering van belastingen.
De FIOD-ECD is voor wat betreft de hiervoor genoemde middelen belast met en het toezicht houden op de juiste en tijdige uitvoering van de wederzijdse bijstand bij de invordering. De FIOD-ECD is in verband daarmee ook belast om ten behoeve van de Belastingdienst met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk te handelen overeenkomstig het bepaalde in:
a. de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28, en 30 en 34 WWB;
b. artikel 2 van de Goedkeuringswet Benelux Invorderingsverdrag (Wet van 8 juli 1953, Stb. 332) en artikel 3 van de Uitvoeringsbeschikking Benelux Invorderingsverdrag, Beschikking 10 december 1956 ( Ned. Stcrt. van 14 december 1956, nr. 245);
c. artikel 2 van de Goedkeuringswet Overeenkomst met Denemarken ter vermijding van dubbele belasting (Wet van 23 oktober 1957, Stb. 438);
d. artikel 2 van de Goedkeuringswet Verdrag met de Verenigde Staten van Amerika ter voorkoming van dubbele belasting (Wet van 29 oktober 1948, Stb. 464);
e. artikel 36 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (Rijkswet van 28 oktober 1964, Stb. 425) en gelijksoortige bepalingen inzake de wederzijdse bijstand bij de invordering die zijn opgenomen in internationale regelingen. De FIOD-ECD is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten onder mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De FIOD-ECD fungeert voor verzoeken met betrekking tot genoemde middelen voor de wederzijdse bijstand bij de invordering als Centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van de Belastingdienst in individuele gevallen de contacten met andere staten onderhoudt.
Ten aanzien van de wederzijdse bijstand bij de invordering van schuldvorderingen die verband houden met douanerechten, accijnzen, omzetbelasting, landbouwheffingen en restituties, interventies en andere maatregelen die deel uit maken van algehele of gedeeltelijke financiering door het Europese Oriëntatie en Garantiefonds voor de Landbouw behandelt de directeur verzoeken om administratieve samenwerking. De directeur is in verband daarmede ook bevoegd om namens de Staatssecretaris van Financiën en ten behoeve van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk te handelen overeenkomstig de artikelen 3, 5 en 7, 8, 10 en 11, 12, 15, 17 en 18, 22, 24, 25, 28, en 30 en 34 WWB. De directeur fungeert voor verzoeken met betrekking tot genoemde middelen voor de wederzijdse bijstand bij de invordering als Centraal aanspreekpunt dat ten behoeve van de organisatieonderdelen van de Belastingdienst, belast met douaneaangelegenheden, in individuele gevallen de contacten met andere staten onderhoudt.
De directeur is gemachtigd om met betrekking tot het nemen van besluiten (onder) mandaat te verlenen aan daartoe door hem aan te wijzen functionarissen.
De feitelijke werkzaamheden terzake van de internationale invordering worden in opdracht van de directeur uitgevoerd door de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen.
Verzoeken waarvan de voldoening kan leiden tot aantasting van de openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat dan wel invloed kunnen hebben op het gevoerde beleid worden voorgelegd aan het ministerie.
Hiervan is in ieder geval sprake bij strafrechtelijke aspecten en grote financiële of economische belangen, alsmede indien een aangezochte staat de door Nederland verzochte bijstand niet, onvolledig of niet tijdig verstrekt. Ook indien de te verlenen bijstand een commercieel, industrieel of een beroepsgeheim zou onthullen of indien de bevoegdheden om aan een verzoek te voldoen ontbreken, alsmede indien een andere staat zijn beklag doet over de handelingen van de Belastingdienst, wordt overleg met het ministerie gevoerd.
De ontvanger wendt zich ook tot het ministerie in gevallen van internationale invordering waarin het vragen van toestemming nodig is dan wel hij overleg moet voeren. Dit doet zich voor bij het aanvragen van een faillissement of lijfsdwang en voor alle in het buitenland te voeren procedures waarin de ontvanger als eiser wil optreden.
Indien de ontvanger niet via de gebruikelijke mogelijkheden in staat is inlichtingen te verkrijgen, die van nut kunnen zijn voor de invordering van een Nederlandse schuldvordering, doet hij een verzoek om inlichtingen aan een andere staat. De ontvanger kan in elk stadium van de invordering een dergelijk verzoek doen. Inlichtingen kunnen dus ook worden gevraagd wanneer een schuld nog niet onherroepelijk vaststaat. Een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen wordt door tussenkomst van de FIOD-ECD, de Belastingdienst/Douane Noord/kantoor Nijmegen of de bevoegde autoriteit op het terrein van de premie-invordering gedaan.
Alvorens een voorstel tot een verzoek te doen gaat de ontvanger na of dit op grond van internationale afspraken mogelijk is.
Tot het inwinnen van inlichtingen in het buitenland wordt niet overgegaan indien het verschuldigde bedrag aan belasting minder dan € 227 bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden rechtvaardigen dat voor een lager bedrag inlichtingen worden gevraagd. Voor Richtlijn 76/308 geldt een bedrag van € 1500.
Spontane inlichtingen zijn inlichtingen waarom niet is verzocht, maar waarvan het vermoeden bestaat dat zij van belang kunnen zijn voor de heffing en/of de invordering in een andere staat.
De Belastingdienst verstrekt in voorkomende gevallen uit eigen beweging inlichtingen aan een andere staat indien het vermoeden bestaat dat de informatie van nut kan zijn voor de belastingheffing en/of inning in die staat. Ingeval een belastingschuldige Nederland verlaat zonder zijn schulden te betalen is het bijvoorbeeld voor de autoriteiten van vestiging van belang op de hoogte te zijn van het getoonde fiscale gedrag. De buitenlandse autoriteiten kunnen dan hun beleid daarop afstemmen, waardoor de invorderingsverliezen in het buitenland beperkt kunnen worden. Ook indien in het verleden een verzoek om invordering door een andere staat niet geleid heeft tot integrale betaling en naderhand alsnog blijkt dat er verhaalsobjecten in Nederland aanwezig zijn, alsmede in het geval dat in Nederland een faillissement wordt uitgesproken of een sanering van schulden wordt bewerkstelligd waarbij een andere staat belang heeft, meldt de ontvanger dit uit eigen beweging per omgaande via het Centrale aanspreekpunt aan de verzoekende staat.
Indien een verzoek om wederzijdse bijstand loopt, informeert de ontvanger de buitenlandse autoriteit niet nog eens afzonderlijk over het fiscale gedrag van betrokkene in Nederland. Het verzoek om bijstand bij de invordering betreft alsdan reeds spontane informatieverstrekking.
De geheimhoudingsbepalingen zoals weergegeven in artikel 67 van de wet, alsmede bepalingen betreffende de geheimhouding die opgenomen zijn in de desbetreffende internationale regeling zijn onverkort van toepassing. De verkregen informatie mag niet gebruikt worden voor de inning en/of heffing van (andere) vorderingen, tenzij de internationale regeling een ruimer gebruik toestaat. Een ruimer gebruik is toegestaan indien de informatie afkomstig is uit een openbaar register. De Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (Wet van 24 april 1986, Stb. 249) en de daarin opgenomen bekendmakingsprocedure die moet plaatsvinden bij het verstrekken van informatie aan een andere staat geldt niet voor de informatieverstrekking ten behoeve van de invordering. Indien een belanghebbende zich wendt tot de burgerlijke rechter om te voorkomen dat de inlichtingen aan een andere staat worden verstrekt, wordt contact opgenomen met het ministerie.
Op grond van de procedure ex artikel 55, eerste lid, eerste volzin, Rv kan een dwangbevel aan de Officier van Justitie worden betekend ten aanzien van een in het buitenland wonende belastingschuldige. De ontvanger kan echter ook een verzoek tot notificatie doen wanneer een beslissing ter kennis van die belastingschuldige moet worden gebracht. Betekening of uitreiking kan plaatsvinden van elke beslissing of gerechtelijke of niet gerechtelijke akte die van belang is voor de invordering.
Het komt voor dat bijstand kan worden gevraagd aan een bepaalde staat op grond van verschillende internationale regelingen. Het is dan mogelijk dat de ene regeling een ruimere wederzijdse bijstand toestaat dan de andere. In dat geval kan het verzoek worden gebaseerd op de regeling die de ruimste mogelijkheden biedt.
De schuldenaar hoeft niet noodzakelijkerwijs te wonen, te verblijven of te zijn gevestigd in de staat waaraan het verzoek is gericht. Ook is niet vereist dat met de staat waarvan de belastingschuldige inwoner is een internationale regeling is gesloten. Het is voldoende dat in de staat waaraan het verzoek wordt gericht verhaalsobjecten aanwezig zijn. Voorwaarde is dat met de staat waaraan het verzoek om bijstand bij de invordering wordt gericht zich aan een internationale regeling heeft gebonden, waarin een bepaling terzake van de invordering is opgenomen. Indien de belastingschuldige niet de nationaliteit bezit van de verzoekende staat kan niet in alle gevallen een beroep op een verdrag worden gedaan. In een beperkt aantal internationale regelingen waarin een invorderingsbepaling is opgenomen, is bepaald dat de hulp en bijstand niet geldt ten aanzien van de onderdanen van de staat waaraan het verzoek wordt gericht.
Tot het inroepen van bijstand wordt niet overgegaan indien het verschuldigde bedrag beneden € 227 ligt. Voor wat betreft het Benelux Invorderingsverdrag is tussen de betrokken staten een bedrag van € 681 afgesproken en voor de Richtlijn 76/308 € 1500. Bijzondere, in het verzoek aangegeven, omstandigheden kunnen bijstand rechtvaardigen voor een lager bedrag. Wanneer tegelijkertijd op grond van verschillende internationale regelingen een verzoek om bijstand wordt gedaan, mogen de bedragen van de verzoeken niet bij elkaar worden geteld.
Bijstand bij de invordering wordt door de ontvanger verzocht voor belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan, geheel invorderbaar zijn en waarvoor een dwangbevel voor de gehele schuld is uitgevaardigd en betekend. Het mag daarbij ook gaan om een ambtshalve belastingaanslag, waarvan het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze gedeeltelijk materieel verschuldigd is. Voor de mogelijkheid om conservatoire maatregelen te treffen wordt verwezen naar § 7.
Op een buitenlandse belastingschuld is de wetgeving van de verzoekende staat van toepassing. De hoogte van de belastingaanslag, de formele vereisten (zoals bijvoorbeeld die ten aanzien van de bezwaar- en bewaartermijnen van bescheiden), de verjaringstermijn en de rechtsmiddelen met betrekking tot de belastingschuld worden beheerst door de wetgeving van de verzoekende staat. Ten aanzien van de daadwerkelijke invordering geldt dat de Nederlandse belastingdienst daartoe overgaat overeenkomstig de internationale regeling en de in Nederland geldende regelgeving.
Met betrekking tot het verlenen van uitstel van betaling in verband met betwisting van de buitenlandse schuld, is het gestelde in artikel 25, § 1, lid 16 (zekerheid) en § 2 van de leidraad (uitstel in verband met bezwaren tegen de belastingaanslag) van overeenkomstige toepassing.
Uitgangspunt is dat het gevoerde uitstelbeleid voor buitenlandse schuldvorderingen in lijn is met het uitstelbeleid van artikel 25, § 7, e.v. van de leidraad. Uitgangspunt voor de looptijd van een betalingsregeling is dat het verschuldigde bedrag zo snel mogelijk wordt betaald en dat voor nieuwe belastingaanslagen van de Nederlandse belastingdienst geen betalingsachterstand zal optreden.
Ten aanzien van de vervolgingskosten is het beleid zoals neergelegd in Hoofdstuk XII zoveel mogelijk van toepassing.
Het gevoerde beleid met betrekking tot het niet verder bemoeilijken voor buitenlandse vorderingen in Nederland is in lijn met het kwijtscheldingsbeleid, dat voor Nederlandse belastingschulden gevoerd wordt met inachtneming van het navolgende.
In fraudegevallen en in het geval door de schuldenaar vermogensbestanddelen zijn aangeschaft terwijl hij op de hoogte was of had kunnen zijn van de buitenlandse vordering wordt het verzoek afgewezen. Indien er andere crediteuren in Nederland en/of in het buitenland zijn, wordt alleen een beslissing tot het niet meer nemen van invorderingsmaatregelen in Nederland genomen bij een sanering van alle schulden van de schuldenaar in Nederland en in de verzoekende staat. Bij een concurrente buitenlandse vordering wordt meegewerkt indien het te ontvangen deel van de belastingschuld tenminste hetzelfde percentage bedraagt van hetgeen (gemiddeld) aan concurrente schuldeisers op hun vorderingen zal worden uitgekeerd en vooruitlopend op een eventuele sanering een betalingsregeling wordt overeengekomen, die een substantiële omvang heeft, zowel absoluut als in relatie tot de totale buitenlandse belastingschuld.
Een positieve beslissing op het verzoek houdt in dat afgezien wordt van verdere invordering hier te lande indien aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Het verzoek om bijstand bij de invordering wordt alsdan aan de verzoekende autoriteit geretourneerd. De verzoekende staat kan buiten Nederland desgewenst verdere invorderingsmaatregelen treffen.
De Nederlandse ontvanger kan zelfstandig kwijtschelding verlenen van de in Nederland op grond van Nederlandse wetten berekende vervolgingskosten en rente. Voor wat betreft de behandeling van verzoeken om kwijtschelding of redressering van de in Nederland in rekening gebrachte vervolgingskosten spoort het beleid met het beleid dat gevoerd wordt voor vervolgingskosten die berekend worden voor Nederlandse vorderingen, met dien verstande dat de ontvanger rekening houdt met de eventuele mogelijkheid de kosten te verhalen op de verzoekende autoriteiten.
Wanneer invordering plaatsvindt voor een buitenlandse schuld van een overledene, wordt de dwanginvordering beperkt tot de waarde van de nalatenschap c.q. de goederen, die de erfgenamen uit de nalatenschap hebben verkregen.
Op basis van Richtlijn 76/308 kan Nederland worden gevraagd een individu (of bedrijf) te confronteren met een verzoek van een andere lidstaat en vervolgens - op basis van een buitenlandse executoriale titel - invorderingsactiviteiten te verrichten, terwijl niet uitgesloten is dat de vordering later als gevolg van betwisting c.q. aanvechting door de schuldenaar onterecht blijkt te zijn geweest. Strikt genomen leidt een dergelijk verzoek niet tot schorsing van de invorderingsactiviteiten. Toch blijven de gevolgen van een verzoek tot onmiddellijke invordering zonder schorsing beperkt, aangezien op basis van artikel 9, tweede lid, van de Richtlijn (artikel 19 van de WWB) uitstel van betaling zal worden verleend. Slechts in de situatie waarin in het kader van de bestrijding van fraude een verzoek wordt gedaan een belastingschuld of andere schuldvordering onmiddellijk in te vorderen zonder schorsing wordt dit uitstel niet verleend.
Op basis van de Richtlijn 76/308 is de aangezochte lidstaat niet gehouden de gevraagde bijstand te verlenen wanneer het verzoek betrekking heeft op een schuldvordering die meer dan vijf jaar bestaat, te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de executoriale titel. In de gevallen waarin de schuldvordering of de titel wordt betwist, wordt de termijn berekend vanaf het tijdstip waarop de verzoekende staat vaststelt dat de schuldvordering of de titel niet langer kunnen worden betwist.
Het beleid is er op gericht een dergelijk verzoek in behandeling te nemen.
Voor verzoeken om conservatoire maatregelen aan een andere staat geldt in zijn algemeenheid hetzelfde als voor een verzoek om bijstand bij de invordering, met dat verschil dat de belastingaanslag niet onbetwist of onherroepelijk vast hoeft te staan en zekerheidsmaatregelen noodzakelijk zijn. In een aantal gevallen dient de ontvanger bij het verzoek om conservatoire maatregelen te treffen een executoriale titel te overleggen.
De ontvanger laat een voorstel tot het nemen van conservatoire maatregelen in het buitenland achterwege indien het verschuldigde bedrag lager is dan € 2269, tenzij bijzondere omstandigheden maatregelen een lager bedrag rechtvaardigen.
Indien de ontvanger kennis neemt van de opening van een insolventieprocedure in een land waar op grond van een internationale regeling bijstand bij de invordering mogelijk is terwijl geen aanleiding bestaat in Nederland een secundaire procedure te openen (zie artikel 3, § 3, lid 7a), verzoekt de ontvanger het Centrale aanspreekpunt om bijstand terzake van de indiening van zijn vorderingen in de buitenlandse insolventieprocedure.
In het geval er geen internationale regeling is die een verzoek om bijstand bij de invordering mogelijk maakt en er tevens geen aanleiding bestaat om een secundaire insolventieprocedure in Nederland te openen, meldt de ontvanger de vordering rechtstreeks aan in de buitenlandse insolventieprocedure. De zogenaamde "Indiening van een vordering" kan in beginsel in het Nederlands opgesteld worden. Desgevorderd is een vertaling noodzakelijk (de ontvanger kan een vertaling aanvragen bij het Centrale aanspreekpunt). In alle gevallen behoudt de ontvanger zich het stemrecht voor ten aanzien van een mogelijk akkoordvoorstel. De ontvanger maakt in een buitenlandse insolventieprocedure geen aanspraak op het in Nederland geldende bodem(voor)recht. De vorderingen worden ingediend met inbegrip van de verschuldigde heffings- en invorderingsrente.
Indien (nog) geen verzoek om wederzijdse bijstand bij de invordering kan worden gedaan en er verhaalsobjecten in het buitenland aanwezig zijn bestaat er in een enkel geval de mogelijkheid om buiten de regelingen die zien op de wederzijdse bijstand tussen belasting- en premieautoriteiten tot invordering in het buitenland over te gaan en/of conservatoire maatregelen te treffen. Daarvoor is in de regel de tussenkomst van de binnenlandse en/of buitenlandse civiele rechter vereist. Voor het starten van de invordering of het treffen van conservatoire maatregelen in het buitenland buiten de regelingen inzake de wederzijdse bijstand om, is toestemming vereist van het ministerie.
Het door het ministerie gevoerde beleid is er op gericht om slechts in bijzondere gevallen door middel van een procedure te trachten de Nederlandse belastingschuld met behulp van de rechter in te vorderen. Voor dergelijke gevallen geldt dat een substantieel deel van de schuld materieel verschuldigd kan worden geacht en van voldoende omvang is, dat de schuld vermoedelijk verhaalbaar is in het buitenland, alsmede dat een verzoek om wederzijdse bijstand niet mogelijk is.
- Citeren als
- Art. XVII
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004800
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl