BWBR0004800
Geldig vanaf 01-07-2003
Artikel XIA
Leidraad invordering 1990
De EG-insolventieverordening ziet op de grensoverschrijdende gevolgen van insolventieprocedures binnen de Europese Unie (Verordening EG nr. 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures).
De verordening is in werking getreden op 31 mei 2002 en is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk op insolventieprocedures die op of na die datum zijn geopend in alle lidstaten met uitzondering van Denemarken (waar in het vervolg van "de lidstaten" wordt gesproken, is Denemarken niet daaronder begrepen).
Van het werkingsgebied zijn uitgezonderd: verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, bepaalde beleggingsondernemingen en instellingen voor collectieve beleggingen. Het toepassingsbereik in Nederland is limitatief bepaald op de volgende procedures: "faillissement", "surseance van betaling" en "schuldsaneringsregeling natuurlijke personen".
De EG-insolventieverordening maakt het bestaan van 2 soorten procedures naast elkaar mogelijk: - een "hoofdprocedure" met universele werking in alle betrokken lidstaten; - een of meerdere "territoriale procedures" waarbij de werking beperkt blijft tot het vermogen van de schuldenaar op het grondgebied van de lidstaat.
Voor het openen van een hoofdprocedure is vereist dat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is in één van de lidstaten. Onder het centrum van de voornaamste belangen wordt verstaan de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en als zodanig voor derden herkenbaar is. Een hoofdprocedure heeft zonder nadere rechterlijke toets en zonder de eis van bekendmaking, rechtsgevolgen in de lidstaten.
Voor het openen van een territoriale procedure is vereist dat de schuldenaar in die lidstaat een "vestiging" heeft. Hieronder wordt verstaan een plaats van handeling waar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit wordt uitgeoefend die niet van tijdelijke aard is.
Als een territoriale procedure ná de hoofdprocedure wordt geopend, is er sprake van een "secundaire procedure" waarbij de insolventie niet meer behoeft te worden aangetoond. In dat geval gaat het uitsluitend om de liquidatieprocedure (in Nederland is surseance van betaling hierdoor uitgesloten).
Een curator in een insolventieprocedure kan verzoeken om openbaarmaking van de openingsbeslissing in elke lidstaat overeenkomstig de in die lidstaat geldende regels van openbaarmaking.
In Nederland wordt een verzoek van een buitenlandse curator in behandeling genomen door de griffier van de rechtbank te Den Haag die voor aankondiging in de Staatscourant zorg draagt.
Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire procedure in Nederland. Een dergelijke secundaire procedure betreft alleen het liquidatieproces en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht.
De insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.
Het openen van een hoofdprocedure in een lidstaat, heeft tot gevolg dat de ontvanger de in Nederland gelegde beslagen niet meer kan uitwinnen.
Behoudens de mogelijkheid van verrekening (zie het zesde lid) dienen uit te betalen bedragen te worden overgemaakt aan de curator of bewindvoerder in de hoofdprocedure na voorafgaand overleg.
Hoofdregel is dat het (nationale) recht van het land waar de insolventieprocedure is geopend, bepaalt onder welke voorwaarden verrekening mogelijk is. De EG-Insolventieverordening maakt een uitzondering voor de schuldeiser die - na de opening van een insolventieprocedure - zijn vordering met de vordering van de schuldenaar kan verrekenen volgens het recht dat op de vordering van de insolvente schuldenaar van toepassing is.
De verordening is in werking getreden op 31 mei 2002 en is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk op insolventieprocedures die op of na die datum zijn geopend in alle lidstaten met uitzondering van Denemarken (waar in het vervolg van "de lidstaten" wordt gesproken, is Denemarken niet daaronder begrepen).
Van het werkingsgebied zijn uitgezonderd: verzekeringsondernemingen, kredietinstellingen, bepaalde beleggingsondernemingen en instellingen voor collectieve beleggingen. Het toepassingsbereik in Nederland is limitatief bepaald op de volgende procedures: "faillissement", "surseance van betaling" en "schuldsaneringsregeling natuurlijke personen".
De EG-insolventieverordening maakt het bestaan van 2 soorten procedures naast elkaar mogelijk: - een "hoofdprocedure" met universele werking in alle betrokken lidstaten; - een of meerdere "territoriale procedures" waarbij de werking beperkt blijft tot het vermogen van de schuldenaar op het grondgebied van de lidstaat.
Voor het openen van een hoofdprocedure is vereist dat het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is in één van de lidstaten. Onder het centrum van de voornaamste belangen wordt verstaan de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en als zodanig voor derden herkenbaar is. Een hoofdprocedure heeft zonder nadere rechterlijke toets en zonder de eis van bekendmaking, rechtsgevolgen in de lidstaten.
Voor het openen van een territoriale procedure is vereist dat de schuldenaar in die lidstaat een "vestiging" heeft. Hieronder wordt verstaan een plaats van handeling waar met behulp van mensen en goederen een economische activiteit wordt uitgeoefend die niet van tijdelijke aard is.
Als een territoriale procedure ná de hoofdprocedure wordt geopend, is er sprake van een "secundaire procedure" waarbij de insolventie niet meer behoeft te worden aangetoond. In dat geval gaat het uitsluitend om de liquidatieprocedure (in Nederland is surseance van betaling hierdoor uitgesloten).
Een curator in een insolventieprocedure kan verzoeken om openbaarmaking van de openingsbeslissing in elke lidstaat overeenkomstig de in die lidstaat geldende regels van openbaarmaking.
In Nederland wordt een verzoek van een buitenlandse curator in behandeling genomen door de griffier van de rechtbank te Den Haag die voor aankondiging in de Staatscourant zorg draagt.
Onmiddellijk na kennisname van de in het buitenland geopende hoofdprocedure, beoordeelt de ontvanger of hij baat heeft bij het openen van een secundaire procedure in Nederland. Een dergelijke secundaire procedure betreft alleen het liquidatieproces en wordt afgewikkeld volgens het in Nederland geldende recht.
De insolventie behoeft daarbij niet te worden aangetoond.
Het openen van een hoofdprocedure in een lidstaat, heeft tot gevolg dat de ontvanger de in Nederland gelegde beslagen niet meer kan uitwinnen.
Behoudens de mogelijkheid van verrekening (zie het zesde lid) dienen uit te betalen bedragen te worden overgemaakt aan de curator of bewindvoerder in de hoofdprocedure na voorafgaand overleg.
Hoofdregel is dat het (nationale) recht van het land waar de insolventieprocedure is geopend, bepaalt onder welke voorwaarden verrekening mogelijk is. De EG-Insolventieverordening maakt een uitzondering voor de schuldeiser die - na de opening van een insolventieprocedure - zijn vordering met de vordering van de schuldenaar kan verrekenen volgens het recht dat op de vordering van de insolvente schuldenaar van toepassing is.
- Citeren als
- Art. XIA
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0004800
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl