BWBR0003630
Geldig vanaf 2016-11-17
Artikel 21
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
1. De ambtenaar heeft recht op een vakantie-uitkering ten bedrage van 8% van de door hem genoten bezoldiging.
2. De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste € 175,51 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het derde lid, wordt de vakantie-uitkering naar evenredigheid verminderd.
3. Wanneer de ambtenaar op grond van de <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 17 tot en met 20d</a>of van <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/37" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 37 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>of op grond van bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht in het genot van zijn volle bezoldiging te zijn, met dien verstande dat wanneer het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, hij voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht geen bezoldiging te genieten.
4. Voor de berekening van de vakantie-uitkering wordt uitgegaan van de bezoldiging zonder dat deze is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0015799/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel</a>.
2. De vakantie-uitkering per maand bedraagt ten minste € 175,51 vermenigvuldigd met de voor de ambtenaar geldende arbeidsduurfactor. Bij genot van slechts een gedeelte van zijn bezoldiging, op andere gronden dan vermeld in het derde lid, wordt de vakantie-uitkering naar evenredigheid verminderd.
3. Wanneer de ambtenaar op grond van de <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/17" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 17 tot en met 20d</a>of van <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/37" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 37 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>of op grond van bepalingen van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling slechts een gedeelte van zijn bezoldiging geniet, wordt hij voor de toepassing van het eerste lid geacht in het genot van zijn volle bezoldiging te zijn, met dien verstande dat wanneer het feitelijke genot van de bezoldiging is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, hij voor de toepassing van het eerste lid wordt geacht geen bezoldiging te genieten.
4. Voor de berekening van de vakantie-uitkering wordt uitgegaan van de bezoldiging zonder dat deze is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0015799/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel</a>.