BWBR0003630
Geldig vanaf 2016-11-17
Artikel 18b
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
1. Aan de ambtenaar wiens bezoldiging in een periode van twee jaar door het één of meer keer beëindigen of verminderen van één of meer toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, als gevolg van een reorganisatie een blijvende verlaging ondergaat, welke ten minste 3% bedraagt van de som van het salaris en een periodieke toeslag, wordt een aflopende toelage toegekend.
2. De berekeningsbasis voor de aflopende toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de 36 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de eerste verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, heeft genoten, verminderd met hetgeen de ambtenaar daadwerkelijk aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, na de bedoelde verlagingen geniet. De in de vorige zin genoemde periode van 36 kalendermaanden wordt verkort voor zover de betrokken ambtenaar korter in dienst is geweest.
3. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 100%, het tweede jaar 75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25% van de berekeningsbasis.
4. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien de beëindigde of verminderde toelagen of toeslagen, genoemd in artikel 2, onder f, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder onderbreking van langer dan twaalf maanden zijn genoten.
5. Indien aanspraak bestaat op de aflopende toelage, bedoeld in dit artikel, bestaat geen aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in artikel 18.
6. Onze Minister kan voor de toepassing van dit artikel nadere regels stellen.
2. De berekeningsbasis voor de aflopende toelage is het bedrag dat de ambtenaar over de 36 kalendermaanden, voorafgaande aan de datum waarop de eerste verlaging van zijn bezoldiging intreedt, gemiddeld per maand aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, heeft genoten, verminderd met hetgeen de ambtenaar daadwerkelijk aan toelagen of toeslagen, als genoemd in artikel 2, onder f, na de bedoelde verlagingen geniet. De in de vorige zin genoemde periode van 36 kalendermaanden wordt verkort voor zover de betrokken ambtenaar korter in dienst is geweest.
3. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt gedurende het eerste jaar 100%, het tweede jaar 75%, het derde jaar 50% en het vierde jaar 25% van de berekeningsbasis.
4. De aflopende toelage, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts toegekend indien de beëindigde of verminderde toelagen of toeslagen, genoemd in artikel 2, onder f, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder onderbreking van langer dan twaalf maanden zijn genoten.
5. Indien aanspraak bestaat op de aflopende toelage, bedoeld in dit artikel, bestaat geen aanspraak op de aflopende toelage, bedoeld in artikel 18.
6. Onze Minister kan voor de toepassing van dit artikel nadere regels stellen.