BWBR0003630
Geldig vanaf 2016-11-17
Artikel 20a
Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
1. De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ter grootte van 8,3% van het door hem genoten salaris.
2. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
3. Voor de duur dat de bezoldiging op grond van <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
4. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
5. Voor de berekening van de eindejaarsuitkering wordt uitgegaan van het salaris zonder dat dit is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0015799/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel</a>.
2. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorafgaande kalenderjaar.
3. Voor de duur dat de bezoldiging op grond van <a href="/wet/BWBR0001950/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement</a>of op grond van een bepaling van dezelfde strekking in een soortgelijke regeling is teruggebracht tot het bedrag van het op de ambtenaar te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage, wordt de ambtenaar voor de toepassing van het eerste lid geacht geen salaris te genieten.
4. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag.
5. Voor de berekening van de eindejaarsuitkering wordt uitgegaan van het salaris zonder dat dit is verminderd met het bedrag dat als belastingvrije vergoeding is uitgekeerd voor een bestemmingsmogelijkheid als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0015799/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, tweede lid, van de IKAP-regeling rijkspersoneel</a>.