BWBR0002271
Geldig vanaf 1958-02-19
Artikel 19
Instructie Ambtenaren Scheepvaartinspectie
1. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is bevoegd binnenlands die reizen te doen, welke voor de goede uitoefening van de hem opgedragen dienst noodzakelijk zijn. Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan de aan hem toegevoegde ambtenaren machtigen tot een gelijk doel. Voor reizen buiten Nederland dient vooraf toestemming van Onze Minister te zijn verkregen.
2. De Hoofden van de districten zijn bevoegd binnenlands die reizen te doen, welke voor de goede uitoefening van de hun opgedragen dienst noodzakelijk zijn. De Districtshoofden kunnen de onder hun bevelen staande ambtenaren van de Scheepvaartinspectie machtigen tot een gelijk doel.
Voor reizen buiten Nederland moet vooraf de toestemming van Onze Minister of, wanneer de reis niet op kosten van het Rijk geschiedt, van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn verkregen.
2. De Hoofden van de districten zijn bevoegd binnenlands die reizen te doen, welke voor de goede uitoefening van de hun opgedragen dienst noodzakelijk zijn. De Districtshoofden kunnen de onder hun bevelen staande ambtenaren van de Scheepvaartinspectie machtigen tot een gelijk doel.
Voor reizen buiten Nederland moet vooraf de toestemming van Onze Minister of, wanneer de reis niet op kosten van het Rijk geschiedt, van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn verkregen.