BWBR0002271
Geldig vanaf 1958-02-19
Artikel 10
Instructie Ambtenaren Scheepvaartinspectie
1. De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie houden doorlopend toezicht op de toestand waarin de schepen waarover hun bemoeiingen zich uitstrekken, zich bevinden, op hun uitrusting, belading en bemanning in zoverre het toezicht op deze zaken bij en krachtens de Schepenwetis voorgeschreven.
2. Voor de uitoefening van het in het vorige lid bedoelde toezicht begeven zij zich op ongezette tijden aan boord van de aan het toezicht onderworpen schepen en op de werven en in de dokken, waar deze schepen zich bevinden.
3. Zij overtuigen zich of de schepen op merkbare wijze in sterkte zijn achteruit gegaan, dan wel schade hebben belopen en of herstellingen op afdoende wijze en met deugdelijk materiaal worden en zijn verricht.
4. Zij overtuigen zich of is of zal worden voldaan aan de voorschriften in artikel 4 der Schepenwetbedoeld, of krachtens artikel 5dier Wet gesteld of gegeven.
5. Zij zijn bevoegd zich alle in het Schepenbesluit 1965genoemde voorwerpen te doen vertonen, inzage te nemen van de dagboeken, van de registers van waarnemingen betreffende kompassen en tijdmeters, van de certificaten en bewijzen, afgegeven bij het onderzoeken van lantaarns, instrumenten, enz. en in het algemeen van alle bescheiden welke kunnen dienen om te beoordelen of de voorschriften zijn of worden nageleefd.
6. Ter juiste beoordeling en toepassing van het voorkomende in Hoofdstuk IV van het Schepenbesluit 1965zal zo nodig, en meer in het bijzonder op scheepsbouwkundig gebied, het advies van de Scheepsbouwkundig Adviseur of van diens vervanger worden ingewonnen.
7. In geval van twijfel of de voorschriften van de artikelen 95, 96, 97en 100, van het Schepenbesluit 1965behoorlijk worden nageleefd, wordt door hen de voorlichting ingeroepen van een door Onze Minister aangewezen bevoegd persoon, dan wel van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige, al naar gelang van deze personen in bovengenoemde artikelen melding wordt gemaakt.
8. Zij doen van tijd tot tijd de scheepsboten te water brengen en de brandblusmiddelen en lensinrichtingen te werk stellen om zich van de goede werking te overtuigen.
9. De ambtenaren van andere diensttakken, die ter beschikking van de dienst der Scheepvaartinspectie zijn gesteld, gedragen zich naar de in het eerste tot en met het vijfde lid gegeven voorschriften, met dien verstande, dat zij hun bemoeiingen slechts uitstrekken tot de werkzaamheden, waarvoor zij zijn aangewezen.
2. Voor de uitoefening van het in het vorige lid bedoelde toezicht begeven zij zich op ongezette tijden aan boord van de aan het toezicht onderworpen schepen en op de werven en in de dokken, waar deze schepen zich bevinden.
3. Zij overtuigen zich of de schepen op merkbare wijze in sterkte zijn achteruit gegaan, dan wel schade hebben belopen en of herstellingen op afdoende wijze en met deugdelijk materiaal worden en zijn verricht.
4. Zij overtuigen zich of is of zal worden voldaan aan de voorschriften in artikel 4 der Schepenwetbedoeld, of krachtens artikel 5dier Wet gesteld of gegeven.
5. Zij zijn bevoegd zich alle in het Schepenbesluit 1965genoemde voorwerpen te doen vertonen, inzage te nemen van de dagboeken, van de registers van waarnemingen betreffende kompassen en tijdmeters, van de certificaten en bewijzen, afgegeven bij het onderzoeken van lantaarns, instrumenten, enz. en in het algemeen van alle bescheiden welke kunnen dienen om te beoordelen of de voorschriften zijn of worden nageleefd.
6. Ter juiste beoordeling en toepassing van het voorkomende in Hoofdstuk IV van het Schepenbesluit 1965zal zo nodig, en meer in het bijzonder op scheepsbouwkundig gebied, het advies van de Scheepsbouwkundig Adviseur of van diens vervanger worden ingewonnen.
7. In geval van twijfel of de voorschriften van de artikelen 95, 96, 97en 100, van het Schepenbesluit 1965behoorlijk worden nageleefd, wordt door hen de voorlichting ingeroepen van een door Onze Minister aangewezen bevoegd persoon, dan wel van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie erkende deskundige, al naar gelang van deze personen in bovengenoemde artikelen melding wordt gemaakt.
8. Zij doen van tijd tot tijd de scheepsboten te water brengen en de brandblusmiddelen en lensinrichtingen te werk stellen om zich van de goede werking te overtuigen.
9. De ambtenaren van andere diensttakken, die ter beschikking van de dienst der Scheepvaartinspectie zijn gesteld, gedragen zich naar de in het eerste tot en met het vijfde lid gegeven voorschriften, met dien verstande, dat zij hun bemoeiingen slechts uitstrekken tot de werkzaamheden, waarvoor zij zijn aangewezen.