BWBR0050941
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 3.5.2
Besluit bemanning zeeschepen
1. Een visser van een vissersvaartuig is in het bezit van een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers dat ten minste voldoet aan voorschrift 1, hoofdstuk III, van de bijlage bij het STCW F-verdrag en artikel 31, onderdeel b, van het C188-verdrag.
2. Een visser als bedoeld in het eerste lid krijgt, alvorens hij zijn taak aan boord aanvangt, voldoende informatie en instructie ten einde:
a. met de overige opvarenden over elementaire veiligheidszaken te kunnen spreken, begrip te hebben van de veiligheidssymbolen en de alarmseinen te kennen;
b. voldoende bekend te zijn met de aanwezige uitrusting en de bediening ervan, met inbegrip van de te nemen veiligheidsmaatregelen voordat hij de uitrusting gebruikt;
c. te weten wat te doen indien: 1°. iemand over boord valt;
2°. vuur of rook wordt ontdekt; of
3°. het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
1°. iemand over boord valt;
2°. vuur of rook wordt ontdekt; of
3°. het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
d. te weten waar de reddingsgordels zich bevinden en hoe deze om te doen;
e. alarm te slaan en bekend te zijn met het gebruik van handbrandblussers;
f. te weten wat te doen bij een ongeluk voordat hulp wordt ingeroepen;
g. de brand- en waterdichte deuren, met uitzondering van die ter afsluiting van openingen in de romp, te kunnen sluiten en openen; en
h. te kunnen vaststellen waar de verzamelplaatsen bij het sein «schip verlaten», de plaatsen van inscheping in de reddingmiddelen en de ontsnappingsroutes bij noodgevallen zich bevinden.
3. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
4. Een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers als bedoeld in het eerste lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
5. De geldigheidsduur, als bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing tot en met 31 december 2029.
2. Een visser als bedoeld in het eerste lid krijgt, alvorens hij zijn taak aan boord aanvangt, voldoende informatie en instructie ten einde:
a. met de overige opvarenden over elementaire veiligheidszaken te kunnen spreken, begrip te hebben van de veiligheidssymbolen en de alarmseinen te kennen;
b. voldoende bekend te zijn met de aanwezige uitrusting en de bediening ervan, met inbegrip van de te nemen veiligheidsmaatregelen voordat hij de uitrusting gebruikt;
c. te weten wat te doen indien: 1°. iemand over boord valt;
2°. vuur of rook wordt ontdekt; of
3°. het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
1°. iemand over boord valt;
2°. vuur of rook wordt ontdekt; of
3°. het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
d. te weten waar de reddingsgordels zich bevinden en hoe deze om te doen;
e. alarm te slaan en bekend te zijn met het gebruik van handbrandblussers;
f. te weten wat te doen bij een ongeluk voordat hulp wordt ingeroepen;
g. de brand- en waterdichte deuren, met uitzondering van die ter afsluiting van openingen in de romp, te kunnen sluiten en openen; en
h. te kunnen vaststellen waar de verzamelplaatsen bij het sein «schip verlaten», de plaatsen van inscheping in de reddingmiddelen en de ontsnappingsroutes bij noodgevallen zich bevinden.
3. Een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in het eerste lid is geldig tot ten hoogste 5 jaar na de datum van afgifte.
4. Een bekwaamheidsbewijs basisveiligheid voor vissers als bedoeld in het eerste lid wordt op verzoek vernieuwd indien de houder met tussenpozen van niet meer dan 5 jaar aantoont een passende herhalingstraining te hebben gevolgd.
5. De geldigheidsduur, als bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing tot en met 31 december 2029.