BWBR0050941
Geldig vanaf 2025-07-01
Artikel 2.4.6
Besluit bemanning zeeschepen
1. De scheepsbeheerder, niet zijnde de scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat aan boord te allen tijde manieren beschikbaar zijn voor een doelmatige mondelinge communicatie tussen alle bemanningsleden over veiligheidsaspecten, met name dat boodschappen en instructies tijdig overkomen en juist worden begrepen.
2. De scheepsbeheerder, niet zijnde de scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat aan boord van zijn zeeschip een werktaal wordt vastgesteld die in het journaal wordt aangetekend.
3. De scheepsbeheerder van een passagiersschip draagt er zorg voor dat een zeevarende die op de alarmrol is aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, duidelijk herkenbaar is en over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden beschikt, rekening houdend met een relevante en geschikte combinatie van een van de volgende criteria:
a. de taal of talen behorende bij de meest voorkomende nationaliteiten van de passagiers die op een bepaalde route worden vervoerd;
b. de waarschijnlijkheid dat het vermogen om een Engelse basiswoordenschat te gebruiken voor elementaire instructies kan dienen als een middel om te communiceren met een passagier die hulp nodig heeft, ongeacht of de passagier en de zeevarende een gemeenschappelijke taal gemeen hebben;
c. de mogelijke noodzaak om in een noodsituatie via enig ander middel te communiceren, bijvoorbeeld voordoen, handgebaren, of het aanduiden van de plaats waar zich instructies, verzamelplaatsen, reddingsmiddelen of ontsnappingsroutes bevinden, wanneer niet mondeling kan worden gecommuniceerd;
d. de mate waarin aan de passagiers in hun moedertaal of -talen volledige veiligheidsinstructies zijn verstrekt;
e. de talen waarin de noodinstructies tijdens een noodsituatie of oefening worden omgeroepen, teneinde de passagiers vitale aanwijzingen te geven en het voor de bemanning mogelijk te maken om de passagiers bij te staan.
4. Onverminderd het eerste lid draagt de scheepsbeheerder van een olie- of chemicaliëntankschip of een vloeibaargastankschip er zorg voor dat de kapitein, de officieren en gezellen in staat zijn met elkaar te communiceren in één of meer gemeenschappelijke werktalen.
2. De scheepsbeheerder, niet zijnde de scheepsbeheerder van een vissersvaartuig, draagt er zorg voor dat aan boord van zijn zeeschip een werktaal wordt vastgesteld die in het journaal wordt aangetekend.
3. De scheepsbeheerder van een passagiersschip draagt er zorg voor dat een zeevarende die op de alarmrol is aangewezen om de passagiers in kritieke situaties te helpen, duidelijk herkenbaar is en over voor dat doel toereikende communicatieve vaardigheden beschikt, rekening houdend met een relevante en geschikte combinatie van een van de volgende criteria:
a. de taal of talen behorende bij de meest voorkomende nationaliteiten van de passagiers die op een bepaalde route worden vervoerd;
b. de waarschijnlijkheid dat het vermogen om een Engelse basiswoordenschat te gebruiken voor elementaire instructies kan dienen als een middel om te communiceren met een passagier die hulp nodig heeft, ongeacht of de passagier en de zeevarende een gemeenschappelijke taal gemeen hebben;
c. de mogelijke noodzaak om in een noodsituatie via enig ander middel te communiceren, bijvoorbeeld voordoen, handgebaren, of het aanduiden van de plaats waar zich instructies, verzamelplaatsen, reddingsmiddelen of ontsnappingsroutes bevinden, wanneer niet mondeling kan worden gecommuniceerd;
d. de mate waarin aan de passagiers in hun moedertaal of -talen volledige veiligheidsinstructies zijn verstrekt;
e. de talen waarin de noodinstructies tijdens een noodsituatie of oefening worden omgeroepen, teneinde de passagiers vitale aanwijzingen te geven en het voor de bemanning mogelijk te maken om de passagiers bij te staan.
4. Onverminderd het eerste lid draagt de scheepsbeheerder van een olie- of chemicaliëntankschip of een vloeibaargastankschip er zorg voor dat de kapitein, de officieren en gezellen in staat zijn met elkaar te communiceren in één of meer gemeenschappelijke werktalen.